Gemeente Breda

Planteksten

Op deze pagina vindt u de planteksten behorende bij het plan Buitengebied Oost, Gilzeweg 15.

Toelichting


 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding

 

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" van gemeente Breda ten behoeve van het beëindigen van een agrarische intensieve veehouderij. Daarbij zal een deel van de bestaande bebouwing worden gesloopt. Het overige deel van de bebouwing zal in gebruik worden genomen voor een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van een bedrijf voor statische op- en overslag. Tevens zal de huidige agrarische bedrijfswoning worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning.

 

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

 

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Het bedrijf van de initiatiefnemer, zijnde een intensieve zeugenhouderij, staat reeds vijf jaar te koop. Er hebben zich in de loop der jaren verschillende geïnteresseerden gemeld die de locatie zouden willen kopen. De locatie is echter gelegen in een gebied dat vanuit provinciaal beleid is aangemerkt als 'beperkingen veehouderij'. Binnen dit gebied kan een veehouderij alleen uitbreiden indien deze grondgebonden is volgens de regels die de provincie daarvoor heeft vastgesteld. Het bedrijf van de initiatiefnemer betreft een intensieve zeugenhouderij en kan derhalve niet voldoen aan de provinciale definitie van een grondgebonden bedrijf, waarmee verdere uitbreiding van het bedrijf niet mogelijk is. Het is daarmee niet mogelijk om het bedrijf als een duurzaam en volwaardig bedrijf met een gezonde concurrentiepositie in de markt te kunnen blijven uitoefenen.

 

Inmiddels is er een potentiële koper voor de locatie.Deze wil het bedrijf omschakelen naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. Hierbij wenst de potentiële koper een deel van de huidige agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en een deel van de aanwezige verharding te verwijderen. Voor het overige deel van de aanwezige bedrijfsbebouwing (en verharding) is het wenselijk deze te benutten voor het gewenste niet-agrarisch bedrijf. Daarnaast wenst de potentiële koper de huidige agrarische bedrijfswoning af te splitsen en om te schakelen naar een burgerwoning.

 

Vanuit provinciaal beleid, zoals ook is verankerd in het geldende bestemmingsplan, geldt bij omschakeling naar een niet-agrarische functie een maximale oppervlakte voor het bestemmingsvlak (en bouwvlak) van 5.000 m². Vanuit het geldende bestemmingsplan geldt daarnaast bij omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf een maximale oppervlakte van 800 m² aan bebouwing. Bij de gewenste ontwikkeling wordt een deel van de huidige bebouwing gesloopt. Tevens worden drie mestbassins gesaneerd. Echter zal, na de gewenste sloop van bebouwing en het verwijderen van overtollige erfverharding nog steeds sprake zijn van een bouwvlak van meer dan 5.000 m² (ongeveer 5.400 m²) en meer dan 800 m² aan bebouwing (ongeveer 4.030 m²).

 

De gewenste ontwikkeling past daarmee niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan.

 

Met de voorgenomen ontwikkeling zal, door de beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse, een aanzienlijke milieuwinst worden behaald. Een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag heeft een aanzienlijk lagere milieubelasting dan een intensieve zeugenhouderij. Met name in de gebieden die zijn aangemerkt als beperkingen veehouderij, waarin de ontwikkeling van veehouderijbedrijven niet gewenst is, zal dit leiden tot een aanzienlijke verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Daarnaast wordt met de gewenste invulling van de locatie voorkomen dat (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing leeg komt te staan. Hiermee wordt verpaupering voorkomen en wordt voorkomen dat zich in de loop van de tijd in de bebouwing illegale activiteiten ontwikkelen. Door de gewenste invulling van de locatie als bedrijf voor statische op- en overslag wordt aan de locatie een passende nieuwe functie gegeven.

 

Met de gewenste ontwikkeling zal, ondanks dat sprake is van een grotere oppervlakte dan vanuit ruimtelijk beleid mogelijk wordt gemaakt, de bebouwde en verharde oppervlakte afnemen. Daarnaast zal, door het realiseren van een goede landschappelijke inpassing, een bijdrage worden geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Hiermee zal de uitstraling en de kwaliteit van de locatie ten aanzien van het omliggende gebied verbeteren.

De gemeente heeft om deze redenen aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt pgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

 

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Gilzeweg 15 te Bavel en ligt aan de zuidoost kant van Bavel in het landelijk gebied van gemeente Breda. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Nieuw-Ginneken, sectie M, nummers 516, 798 en 875. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

 

 [image]

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

 

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

De locatie heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied Oost", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 juli 2017, de bestemming 'Agrarisch', een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', een functieaanduiding 'intensieve veehouderij' en een gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij'. Daarnaast ligt over een deel van de locatie de dubbelbestemming 'Leiding' en de dubbelbestemming 'Cultuurhistorie'.

 [image]

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

 

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Wel is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor omschakeling naar wonen en voor omschakeling naar niet-agrarisch bedrijf. Echter past de gewenste ontwikkeling, vanwege de beperkte oppervlakte die vanuit de wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, niet geheel binnen de voorwaarden uit de betreffende wijzigingsbevoegdheid.

Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

 

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.

Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.

Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.

Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

 

 

 

HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving

 

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Breda en is gelegen nabij de snelweg A58.

De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een agrarisch landschap, waarbij sprake is van een menging van functies. De voornaamste functie is agrarisch, maar in het gebied is ook sprake van burgerwoningen, niet-agrarische bedrijven en groenvoorzieningen/bosschages. De verkavelingsstructuur betreft een strokenverkaveling met een relatief kleinschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.

In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen.

 

2.1.2 Ruimtelijke structuur

Op de locatie is momenteel een intensieve zeugenhouderij gevestigd. Ter plaatse worden volgens vigerende vergunning 182 kraamzeugen, 620 guste- en dragende zeugen, 184 vleesvarkens/opfokzeugen, 3.197 gespeende biggen, 2 dekberen, 3 paarden/pony's en 10 zoogkoeien gehouden.

De dieren worden momenteel gehouden in de aanwezige stallen. Naast de stallen zijn ter plaatsen drie mestbassins, een bedrijfswoning met bijgebouwen en een loods aanwezig. In totaal is ter plaatse ongeveer 5.980 m² aan gebouwen aanwezig.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,88 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

 

[image]Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

 

De locatie is gelegen in een gebied dat vanuit provinciaal beleid is aangemerkt als beperkingen veehouderij. Binnen deze gebieden is de ontwikkeling van een veehouderij alleen mogelijk wanneer deze grondgebonden is volgens de definitie die de provincie daarvoor heeft vastgesteld. Omdat ter plaatse sprake is van een intensieve zeugenhouderij kan niet aan de provinciale definitie van een grondgebonden bedrijf worden voldaan, waarmee verdere ontwikkeling en/of uitbreiding van het bedrijf niet mogelijk is. Hiermee is het voor de initiatiefnemer niet mogelijk om te kunnen blijven voorzien in een duurzame en volwaardige bedrijfsvoering met een gezonde concurrentiepositie in de markt.

Het bedrijf staat reeds geruime tijd (al ruim 5 jaar) te koop. Er hebben zich in de loop der jaren verschillende potentiële kopers gemeld die geïnteresseerd waren in de locatie. Omdat de locatie in het gebied beperkingen veehouderij is gelegen is verkoop van de locatie als veehouderij echter niet mogelijk.

De locatie is vanwege de ligging nabij de oprit van de snelweg A58 goed bereikbaar.

 

 

 

 

2.2 Toekomstige situatie[image]

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de intensieve zeugenhouderij te beëindigen. Daarbij is het de wens om de bestemming te wijzigen in een niet-agrarische bedrijfsbestemming ten behoeve van een bedrijf voor statische op- en overslag. Ten behoeve van de gewenste omschakeling zal een van de bestaande stallen en de bestaande loods worden gesloopt. In totaal zal ongeveer 1.950 m² aan bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Tevens zullen de drie mestbassins ter plaatse worden gesaneerd. De rest van de aanwezige bedrijfsbebouwing (ongeveer 4.030 m²) zal in gebruik worden genomen voor de gewenste niet-agrarische bedrijfsvoering.

Naast de omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf ten behoeve van statische op- en overslag, is het wenselijk de huidige agrarische bedrijfswoning af te splitsen van het bedrijf en deze om te schakelen naar een burgerwoning.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.

 [image]

 

Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.

 

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de af te splitsen woning een eigen bestemmingsvlak en bouwvlak krijgen.

Het bouwvlak voor het niet-agrarisch bedrijf zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind. Vanuit provinciale regelgeving, welke eveneens is verankerd in het gemeentelijke bestemmingsplan, is voor een niet-agrarisch bedrijf een bestemmingsvlak (en bouwvlak) van maximaal 5.000 m² toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het, om naast de te gebruiken bebouwing voldoende erfverharding en manoeuvreerruimte voor (vracht)verkeer te kunnen behouden, noodzakelijk om een bestemmingsvlak (tevens bouwvlak) van 5.400 m² te behouden.

De bebouwde en verharde oppervlakte zal met de voorgenomen ontwikkeling afnemen. Er wordt bebouwing gesloopt, verharding verwijderd en er worden drie mestbassins gesaneerd. Daarnaast zal, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse worden voorzien in een goede en bij de omgeving passende landschappelijke inpassing. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

Met de gewenste nieuwe invulling van de locatie wordt voorkomen dat (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing leeg komt te staan. Hiermee wordt verpaupering voorkomen. Daarnaast wordt voorkomen dat, op termijn, zich in de leegstaande bebouwing illegale activiteiten gaan ontwikkelen.

Door de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal een aanzienlijke milieuwinst worden behaald. Een bedrijf voor statische op- en overslag zal een aanzienlijk lagere milieubelasting hebben op de omgeving dan een intensieve zeugenhouderij. Hiermee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving met de voorgenomen ontwikkeling verbeteren.

 

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Voor de bijdrage van de ontwikkeling aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

 

 [image]

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: Laneco Landschaps & Ecologisch Advies.

 

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting.

Met het landschappelijk inrichtingsplan is rekening gehouden met de afspraken die de gemeente hiervoor heeft gemaakt met de provincie. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Landschapsinvesteringsregeling Breda" (paragraaf 3.3.2) wordt met de voorgenomen landschappelijke inpassing op passende wijze voldaan aan de afspraken die tussen de gemeente en de provincie zijn gemaakt.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

 

2.2.3 Passend in de visie op de omgeving.

 

Algemeen.

 

Conform de toelichting van de Interim omgevingsverordening (Iov), moet nader worden gemotiveerd dat met een brede, diepe en ronde kijk op het gebied de voorgenomen ontwikkeling passend is in het gebied. Concreet dient het volgende te worden aangevuld:

 

  1. Een diepe manier van kijken:
    Er wordt niet alleen naar de effecten op de bovenste laag in het hier en nu gekeken, maar de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven dienen in de afweging te worden betrokken. Daarbij dient te worden gekeken naar de verschillende schaalniveaus en wordt de factor tijd actief benut. Er wordt daarbij gekeken naar het verleden, de geschiedenis van de verschillende lagen op een plek en de (mogelijke) effecten in de toekomst

  2. Een ronde manier van kijken:
    Er wordt niet alleen sectoraal naar een ontwikkeling en gebied gekeken, maar er worden kansen en opgaven gecombineerd zodat ontwikkelingen bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Vanuit een gebiedsgerichte insteek wordt gekeken naar een balans tussen “people, planet en profit”.

  3. Een brede manier van kijken:
    Er wordt niet vanuit één gezichtspunt gekeken naar het initiatief, maar er worden vele partijen bij betrokken. Alle gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen van de betrokken partijen.

 

Inhoudelijk.

 

Een diepe manier van kijken:

Het gebied waarin de locatie is gelegen is van oudsher een gebied geweest waarin de aanwezige natuurgronden steeds meer zijn gecultiveerd tot landbouwgronden. Met name in de jaren 30 en 40 ontstond er in het gebied langzaamaan meer bebouwing en meer agrarische bedrijvigheid. De natuur in het gebied werd steeds minder om ruimte te bieden voor de landbouw.

 

Met name in de jaren 30 en 40 is het gebied meer bebouwd en bewoond geraakt, waardoor langs de Gilzeweg een bebouwingslint is ontstaan. Destijds had de aanwezige bebouwing voornamelijk een agrarische functie. De agrarische sector heeft zich na de Tweede Wereldoorlog in hoog tempo ontwikkeld. Hierdoor is vrijwel het gehele gebied gecultiveerd voor agrarische doeleinden.

 

De in het gebied aanwezige infrastructuur heeft zich in de jaren 50 en 60 ontwikkeld tot een functionele gebiedsontsluiting. De ontsluiting van het gebied en de nabijgelegen kernen, waaronder de stad Breda, heeft zich verder ontwikkeld met de aanleg van de A58 in de jaren 70. Door de gunstige ontsluiting is de bewoning van het gebied toegenomen en ontstond een eerste vorm van functiemenging. Het gebied begon in die tijd te ontwikkelen van een voornamelijk agrarisch gebied naar een meer gemengd gebied, waarin naast agrarische activiteiten ook andere vormen van bedrijvigheid werden ontwikkeld. Met de verdere ontwikkeling en uitbreiding van de kern Bavel in de jaren 70, 80 en 90 is in het gebied steeds meer sprake van een langzame, maar zekere, transformatie van het gebied. In die tijd zijn, naast bedrijven, ook burgerwoningen ontstaan in het lint.

 

In de laatste jaren is het gebied steeds meer getransformeerd in een gemengd gebied. De Gilzeweg is aan de kant van de kern Bavel steeds meer ontwikkeld tot een volwaardig bebouwingslint. Het bebouwingslint heeft zich steeds meer getransformeerd tot een gemengd gebied. Door de ontwikkeling van het bebouwingslint is het gebied ter hoogte van de locatie dan ook aangemerkt als een gebied waarin de mogelijkheden voor veehouderijen beperkt zijn. Dit heeft als doel de gevoelige functies in het lint steeds beter te beschermen. De aanwijzing van het gebied als beperkingsgebied voor veehouderijen zal de transformatie van het gebied verder stimuleren.

 

Naar verwachting zal het gebied zich in de toekomst verder blijven transformeren, waarbij de agrarische activiteiten verder zullen afnemen en wellicht in zijn geheel zullen verdwijnen uit het gebied. De verwachting is dat het gebied steeds meer zal opgaan in de verstedelijking en ontwikkeling van het bebouwingslint. De voorgenomen ontwikkeling, welke de transformatie van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie en een niet-agrarische bedrijfsfunctie inhoudt, sluit goed aan bij de verdere transformatie van het gebied naar een bebouwingslint met andere functies dan agrarisch. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee goed aan op het toekomstige beeld van het gebied.

 

De gronden ter plaatse bestaan voornamelijk uit zandgronden. Door de voedselarme gronden en door het doorgaans lage organische stofgehalte in zandgronden zijn deze gronden minder geschikt voor landbouw. Het lage leemgehalte en de geringe bewortelingsdiepte maken dat er snel een vochttekort voor het gewas optreedt. Om de gronden geschikt te houden voor landouw is het belangrijk om de organische stof op peil te houden. Dan blijft het vochtgebrek namelijk beperkt. Verder moet de bodem goed doorwortelbaar gehouden worden en moet aandacht worden geschonken aan de pH-waarde van de gronden (de gronden zijn vaak namelijk zuur). Daarnaast dient het organische stofgehalte op peil gehouden te worden en dienen mineralen aan de grond te worden toegevoegd. De landbouw op deze gronden vraagt daarmee een flinke investering. De mindere mate van geschiktheid van de gronden heeft mede geleid tot een transformatie van het gebied.

 

Bij de voorgenomen ontwikkeling dient bekeken te worden of deze gevolgen heeft voor de bodemsamenstelling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een verandering in de structuur van de bodem. Daarbij zal de bodemsamenstelling niet wijzigen. De voorgenomen ontwikkeling zal, door beëindiging van het agrarisch bedrijf, leiden tot een vermindering van het afvalwater. Een intensieve veehouderij vereist veel water voor het schoonspuiten van de stallen en dergelijke. Door een verminderd watergebruik en een vermindering van het afvalwater blijft het vocht in de bodem beter op peil. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling leiden tot een afnemende druk op het grondwater en de drinkwatervoorziening. Omdat in mindere mate sprake zal zijn van afvalwater is sprake van een verminderde kans op het verontreinigen van de bodem ter plaatse.

 

Tevens is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een bodemonderzoek verricht. Daaruit is gebleken dat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg zal staan. Het

onderzoeksrapport is als bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen.

 

Zoals blijkt uit het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling goed binnen de transformatie van het gebied die met name vanaf de jaren 70 is ingezet. De verwachting is dat het gebied zich in de toekomst, vanwege de beperkte mogelijkheden voor agrarische bedrijfsvoering en de ontwikkeling van de kern en het bebouwingslint, steeds meer zal blijven ontwikkelen als gemengd gebied. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed bij aan. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige nadelige gevolgen hebben voor de bodemgesteldheid ter plaatse en staat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is onderzocht, niet in de weg.

 

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de diepe kijk op het gebied.

 

Een ronde manier van kijken:

De locatie is gelegen in het bebouwingslint dat zich heeft ontwikkeld als uitloper van de kern Bavel. Zoals reeds omschreven in het voorgaande is het gebied steeds meer in ontwikkeling en is er steeds meer sprake van een transformatie van een agrarisch gebied naar een gemengd gebied, waarin de agrarische functies steeds meer worden beperkt en langzaam verdwijnen.

 

Vanuit de maatschappij wordt volksgezondheid steeds meer gezien als belangrijke factor voor het woon- en leefgenot van de mens. Met de maatschappelijke discussie die momenteel speelt rondom volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en door de campagnes van dierenrechtenorganisaties wordt het beeld op intensieve veehouderijen steeds negatiever. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee wordt aangesloten bij de wens van de huidige maatschappij om minder vee in Brabant te houden. Tevens wordt daarmee een deel van de angst bij omwonenden op risico’s voor de volksgezondheid vanuit de veehouderij weggenomen. Er zal immers niet langer meer sprake zijn van een veehouderij met de mogelijk daarbij behorende gezondheidsrisico’s.

 

Door de beëindiging van de veehouderij zal de milieubelasting aan de omgeving, met name op het gebied van geur, fijnstof en ammoniak, aanzienlijk afnemen. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling leiden tot een verbetering van het ter plaatse aanwezige woon- en leefklimaat. Daardoor zal het voor omwonenden prettiger zijn om in de omgeving te wonen en te verblijven.

 

Daarnaast komt de voorgenomen ontwikkeling, met de statische opslag, tegemoet aan een maatschappelijke vraag naar opslagruimte. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Hiermee wordt leegstand en verpaupering van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voorkomen. Ook daarmee wordt invulling gegeven aan een maatschappelijk vraagstuk waar veel gemeenten en provincies in Nederland mee te kampen hebben.

 

De voorgenomen ontwikkeling zal dus leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat en draagt bij aan de vraag naar opslagruimte. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling mede tegemoet gekomen aan het maatschappelijke probleem van leegstaande (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing. Daarmee heeft de voorgenomen ontwikkeling een positieve bijdrage op het aspect “people”.

 

Een intensieve veehouderij heeft een grote energiebehoefte. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote uitstoot van geur, fijnstof, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij ter plaatse worden beëindigd. Daarbij zal de bedrijfswoning worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Tevens zal een deel van de bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor het uitvoeren van een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. Een bedrijf voor statische op- en overslag en een burgerwoning hebben een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een volwaardig intensief veehouderijbedrijf. Het energieverbruik op de locatie zal daarmee aanzienlijk lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu.

 

Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk afnemen.

 

De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat. Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal minder sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde.

 

Bij de voorgenomen beëindiging van de intensieve veehouderij zal de uitstoot van geur, fijnstof en ammoniak vrijwel geheel komen te vervallen. Hiermee zal de achtergrondconcentratie van fijnstof aanzienlijk verminderen. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee een positieve uitwerking op de luchtkwaliteit. Daarnaast zal de vrijwel geheel vervallen uitstoot van ammoniak leiden tot een verminderde depositie van stikstof in de voor stikstof gevoelige natuurgebieden. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbeterde situatie voor de natuurgebieden in Nederland.

 

De voorgenomen ontwikkeling zal dus leiden tot een verlaging van het energieverbruik en een verminderde uitstoot van broeikasgassen. Tevens zal de voorgenomen ontwikkeling leiden tot het vrijwel geheel vervallen van de uitstoot van fijnstof en ammoniak, waarmee de luchtkwaliteit zal verbeteren en de situatie voor natuurgebieden in Nederland zal verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee een positieve bijdrage leveren op het aspect “planet”.

 

De ontwikkelingen in de agrarische sector volgen elkaar in hoog tempo op. Door steeds strenger wordende wet- en regelgeving worden aan agrarische bedrijven, en met name aan (intensieve) veehouderijen, steeds strengere eisen gesteld op het gebied van onder andere milieu, ammoniak, dierwelzijn, gezondheid en duurzaamheid. Om aan alle steeds strenger wordende eisen te kunnen voldoen worden aan agrarische ondernemers steeds meer en steeds grotere investeringen gevraagd. Voor de initiatiefnemer zijn deze investeringen niet haalbaar en rendabel gebleken, waarmee de initiatiefnemer de bedrijvigheid wenst te staken.

 

Met het beëindigen van de intensieve veehouderij komt een bedrijf, met de daarbij behorende economische draagkracht, te vervallen. Dit betekent een verlies aan werkgelegenheid (voor in ieder geval de initiatiefnemer en eventueel personeel). Door het verlies aan werkgelegenheid zal de koopkracht in het gebied afnemen, waardoor er in de omgeving minder uitgegeven kan worden. Dit zou een verslechtering van de economische situatie in de omgeving tot gevolg hebben. Door het bedrijf een nieuwe invulling te geven blijft de werkgelegenheid en de koopkracht van de locatie in stand. Naar verwachting zal de gewenste nieuwe bedrijfsvoering voor de initiatiefnemer een meer rendabele bedrijfsvoering zijn, waarmee de koopkracht in het gebied zal toenemen. Dit komt ten goede aan de economische situatie in de omgeving.

 

De voorgenomen ontwikkeling zal geen verslechtering en mogelijk een verbetering van de economische situatie als gevolg hebben. Hiermee wordt met de voorgenomen ontwikkeling een positieve bijdrage geleverd op het aspect “profit”.

 

Zoals blijkt uit het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling een positieve bijdrage leveren op de aspecten “people, planet en profit”. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de ronde kijk op het gebied.

 

Een brede manier van kijken:

Het bestemmingsplan is voornamelijk gericht op de wensen en visie van de initiatiefnemer. Zoals aangegeven door de provincie is het van belang te kijken met een bredere scope dan alleen de visie en wensen van de initiatiefnemer. Ook de belangen van omwonenden en belanghebbenden dienen meegewogen te worden.

 

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee zal de milieubelasting aan de omgeving aanzienlijk afnemen. Dit betekent een (aanzienlijke) verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Daarbij zal het woon- en leefgenot van omwonenden verbeteren. Voor omwonenden in het gebied is een verbetering van het woon- en leefklimaat wenselijk.

 

Veel gemeenten en provincies hebben te kampen met een steeds grotere leegstand (en daarmee

 

verpaupering) van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied. De beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied komt daarmee in een neerwaartse spiraal. Het komt regelmatig voor dat zich in leegstaande voormalige agrarische bedrijfsgebouwen illegale of soms zelfs criminele activiteiten plaatsvinden. Dit komt de veiligheid in het buitengebied niet ten goede. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe invulling gegeven aan (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Daarmee wordt leegstand en verpaupering voorkomen. Daarbij zal de ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit niet verslechteren en is er geen sprake van mogelijk illegale of zelfs criminele activiteiten. Voor omwonenden is een veilige omgeving met een voldoende goede beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit wenselijk en van belang om prettig te wonen. Daarnaast is het tegemoet komen aan de problematiek met betrekking tot leegstaande bebouwing in het buitengebied voor de gemeente wenselijk. De voorgenomen ontwikkeling draagt op die manier bij aan de wensen van omwonenden en van de gemeente.

 

Zoals nader omschreven en onderzocht in de toelichting van het bestemmingsplan zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot onevenredige (milieu)hinder aan de omgeving. De impact op de omgeving van het bedrijf zal met de voorgenomen ontwikkeling alleen maar verminderen. De omwonenden zullen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling daarom een verminderde hinder ondervinden dan in de huidige situatie. Voor omwonenden is daarmee sprake van een wenselijke ontwikkeling.

 

Door middel van een goede landschappelijke inpassing van de locatie, waarvoor door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan is opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd, zal de bedrijfsbebouwing op een passende manier worden ingekleed in het landschap. Het aanzicht op de bedrijfsbebouwing wordt daarmee vanuit de omgeving verminderd en de locatie krijgt een groenere uitstraling. Dit draagt bij aan een verbetering van de beleving van het gebied. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wensen van de omwonenden om het zicht op de bedrijfsbebouwing te verminderen en aan de wensen van de gemeente en provincie voor een verbeterde ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.

 

Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een ontwikkeling die bijdraagt aan de wensen van omwonenden en belanghebbenden. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de brede kijk op het gebied.

 

 

Zoals blijkt uit het voorgaande is de voorgenomen ontwikkeling, gezien vanuit een diepe, ronde en brede manier van kijken, passend in de omgeving.

 

 

2.2.4 Verantwoording afsplitsen van bedrijfswoning

In de toelichting van het bestemmingsplan is de noodzaak van de totale gewenste ontwikkeling reeds omschreven. Dit onderdeel dient als aanvullende motivatie voor de afsplitsing van de bedrijfswoning. Hierin zijn een aantal argumenten voor afsplitsen van de bedrijfswoning nader uitgewerkt.

 

Ligging (bedrijfs)woning ten aanzien van overige bedrijfsbebouwing:

 

Momenteel is het bouwvlak van het bedrijf, zoals te zien in de luchtfoto in de volgende afbeelding, vrijwel geheel benut met de huidig aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing. De bedrijfsbebouwing, uitgezonderd de bedrijfsbebouwing nabij de bedrijfswoning, is grotendeels geprojecteerd in oost- westelijke richting. De bedrijfsbebouwing nabij de bedrijfswoning is voornamelijk in nood-zuidelijke richting geprojecteerd, waardoor de afstand tussen de bedrijfswoning en de in oost-westelijke richting geprojecteerde bedrijfsbebouwing zeer ruim is.

Omdat de initiatiefnemer voornemens is de in noord-zuidelijke richting geprojecteerde bedrijfsbebouwing welke tussen de bedrijfswoning en de in oost-westelijke richting geprojecteerde bedrijfsbebouwing is gelegen te slopen ontstaat er een grote afstand tussen de bedrijfswoning en de te behouden bedrijfsbebouwing. Het gaat daarbij om een afstand van ruim 75 meter.

Op een dergelijke afstand is niet langer sprake van een passende relatie tussen (voormalige) bedrijfswoning en bedrijf. Derhalve is het afsplitsen van de (voormalige) bedrijfswoning voorstelbaar op deze locatie.

 

 

 

De gewenste bedrijfsactiviteiten betreffen statische op- en overslag. Deze activiteiten vallen onder milieucategorie 2. Voor activiteiten die vallen onder milieucategorie 2 geldt als grootste richtafstand vanuit de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een afstand van 30 meter. Omdat de afstand tussen de betreffende (bedrijfs)woning en de te behouden bedrijfsbebouwing ruim 75 meter bedraagt wordt ruimschoots aan deze richtafstanden voldaan. De af te splitsen woning zal daarmee niet leiden tot belemmeringen van de gewenste bedrijfsvoering ter plaatse. Zoals nader omschreven en gemotiveerd in de toelichting van het bestemmingsplan voor de gewenste ontwikkeling is eveneens geen sprake van een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van andere bedrijven en/of functies in de omgeving.

 

Ligging van de locatie in de omgeving:

De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Breda. In de directe omgeving van de locatie vinden reeds veel ontwikkelingen plaats, waarbij (voormalige) agrarische bedrijven zijn of worden omgeschakeld naar een andere functie. Het betreft hierbij voornamelijk omschakeling van (voormalige) agrarische bedrijven naar burgerwoningen, maar er is in sommige gevallen ook sprake van een omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf.

 

Zowel de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als de omschakeling van de bedrijfswoning naar burgerwoningen sluiten daarmee goed aan op de in de nabij omgeving aanwezige functies en de transformatie van het gebied van een agrarisch gebied naar een gebied met gemengde functies. De af te splitsen woning zal in een lijn komen te liggen met de (burger)woningen in de omgeving. Dit komt ten goede aan de uitstraling en het beeld van de omgeving. Omdat de bedrijfsactiviteiten achterop het perceel plaatsvinden, waarbij deze worden ingepast en afgeschermd van de woning, zijn deze niet zeer prominent aanwezig in het landschap. Ook dit past bij het meer kleinschalig karakter van het landschap en de functies in de omgeving.

 

De locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als ‘beperkingen veehouderij’. In dit gebied is de ontwikkeling van veehouderijbedrijven aanzienlijk beperkt. Intensieve veehouderijbedrijven hebben in dit gebied geen ontwikkelingsmogelijkheden. Voor de initiatiefnemer en/of een potentiële koper zijn er daarom geen mogelijkheden meer voor de verdere ontwikkeling van het intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse of een vergelijkbaar veehouderijbedrijf. Eveneens is hierdoor het gebied aan het transformeren van een voornamelijk agrarisch gebied naar een gebied waarin een menging van functies ontstaat. De veehouderij neemt in de omgeving alleen maar af, waardoor een woonbestemming en een niet-agrarische bedrijfsbestemming meer bij het gebied passen.

 

Ontsluiting en indeling van de locatie:

 

Zoals reeds eerder in dit schrijven aangegeven zal door de sloop van een deel van de (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing een ruime afstand ontstaan tussen de (voormalige) bedrijfswoning en de te behouden bedrijfsbebouwing op het perceel. Daarnaast is de locatie reeds voorzien van twee inritten.

 

Een van de inritten leidt rechtstreeks naar de woning. Deze inrit wordt ook uitsluitend gebruikt ten behoeve van de bedrijfswoning en niet ten behoeve van de bedrijfsvoering. De andere inrit leidt rechtstreeks naar de huidige stallen en wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfsvoering.

 

Omdat reeds twee inritten aanwezig zijn en daarmee de woning afzonderlijk wordt ontsloten van de bedrijfsgebouwen is met de gewenste ontwikkeling geen aanpassing nodig van de infrastructuur en de ontsluiting van de locatie. Afsplitsing van de woning zal derhalve niet leiden tot een belemmering van de infrastructuur, de verkeersveiligheid en/of de verkeerssituatie.

 

Behalen milieuwinst met voorgenomen initiatief:

 

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd, waarbij deze zal verdwijnen uit een gebied waarin (grote) intensieve veehouderijen niet gewenst zijn. Daarbij zal de emissie van geur, fijnstof, geluid, ammoniak, stikstof, broeikasgassen en mogelijke zoönosen, endotoxinen en ziektekiemen aanzienlijk afnemen. Dit zal leiden tot een verbeterde situatie voor de omgeving. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal daarmee sterk verbeteren.

 

Naast het feit dat het woon- en leefklimaat sterk zal verbeteren in de omgeving is er eveneens sprake van een verbeterde situatie voor natuurgebieden en groen. Door een verminderde uitstoot van ammoniak en stikstof zal er sprake zijn van een afname van de depositie op de daarvoor gevoelige natuurgebieden en groenstructuren. Daarmee krijgen deze gebieden een betere kans zich te ontwikkelen.

 

Afweging:

 

Zoals beschreven in het voorgaande is het in de gewenste situatie mogelijk en ook logisch om de huidige (voormalige) bedrijfswoning af te splitsen van het gewenste niet-agrarische bedrijf en deze daarbij om te schakelen naar een burgerwoning. Door de ruime afstand tussen de betreffende woning en de te behouden bedrijfsgebouwen is immers geen sprake meer van een duidelijke relatie tussen de woning en het bedrijf. Daarnaast zal geen sprake zijn van een belemmering van de gewenste bedrijfsvoering en/of die van bedrijven en functies in de omgeving. De locatie is daarnaast gelegen in een gebied dat is aangemerkt als ‘beperkingen veehouderij’, waarmee verdere ontwikkeling van een veehouderij niet mogelijk is. Het gebied is daardoor ook steeds meer aan het transformeren van een voornamelijk agrarisch gebied naar een gebied met gemengde functies, waarbij hoofdzakelijk is of wordt omgeschakeld naar burgerwoningen. Tevens zijn ter plaatse reeds twee inritten aanwezig, waarmee geen aanpassingen van de infrastructuur nodig zijn. Tenslotte zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een aanzienlijke verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving en zal sprake zijn van een verbeterde situatie voor natuurgebieden en groenstructuren.

 

Op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan is binnen de bedrijfsbestemming, naar aanleiding van deze afsplitsing van de bestaande bedrijfswoning, de aanduiding 'wonen uitgesloten' opgenomen teneinde te voorkomen dat binnen dit bestemmingsvlak een nieuwe bedrijfswoning kan worden toegevoegd.

 

Daarnaast wordt nog opgemerkt dat de afsplitsing op basis van artikel 3.69, lid c 5 van de Iov mogelijk gemaakt kan worden. In dat lid staat dat in afwijking van het verbod op nieuwvestiging een (voormalige) bedrijfswoning mag worden gebruikt als burgerwoning, waarbij wordt geborgd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Onderhavig plan voldoet daaraan.

 

HOOFDSTUK 3 Beleidskaders

 

3.1 Rijksbeleid

 

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

 

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.

 

Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

 

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

 

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

 

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie, Omgevingsplan of Omgevingsvisie

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. In 2014 is deze herzien met een partiële herziening om het toekomstig gewenst beleid ten aanzien van duurzame veehouderijen hierin op te nemen. Hiermee voldoet de provincie Noord-Brabant aan de eis conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) waarin provincies verplicht worden gesteld voor het gehele grondgebied een structuurvisie op te stellen. De structuurvisie bevat ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar de lange termijn (2040) en is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

Het grondgebied van de provincie is opgedeeld in verschillende typen gebieden waarbij per (deel)gebied eigen beleidsuitgangspunten gelden. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Brabantstad', 'Economisch kenniscluster', 'Internationale economische as', 'Zoekgebied verstedelijking' en 'Gemengd landelijk gebied'.

 

 [image]

Uitsnede visiekaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

 

 [image]

Uitsnede visiekaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

 

Het stedelijk netwerk van Noord-Brabant bestaat uit een aantal grote steden, een aantal middelgrote steden en het omliggende landelijk gebied. De steden Breda, Eindhoven, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg vormen samen met de provincie het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. Binnen het gebied Brabantstad staat het bevorderen van de internationale bereikbaarheid en het versterken van de ruimtelijke structuur van het stedelijk netwerk centraal.

De voorgenomen ontwikkeling zal geen invloed hebben op de wegen en/of de infrastructuur. Hiermee zal de ontwikkeling de bevordering van de internationale bereikbaarheid niet in de weg staan. Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op het stedelijk netwerk en/of op de ruimtelijke structuur. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf en zal een afname van bebouwing en verharding tot gevolg hebben. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling de versterking van de ruimtelijke structuur van het stedelijk netwerk eveneens niet in de weg staan.

De economische kennisclusters richten zich vooral op de grote kenniseconomie op de bedrijventerreinen in de grote steden en zijn voor het landelijk gebied niet zo van belang. De voorgenomen ontwikkeling zal de versterking van de kenniseconomie niet in de weg staan.

De internationale economische assen richten zicht met name op de bereikbaarheid van Nederland (en dan in het bijzonder de Randstad) voor vanuit het buitenland. Hierbinnen staan voornamelijk regionale en internationale verbindingen centraal. De ontwikkeling zal geen invloed hebben op verbindingen en zal de ontwikkeling van de internationale economische assen daarmee dan ook niet in de weg staan.

Binnen de zoekgebieden voor verstedelijking is het transformeren van buitengebied naar stedelijk gebied (wonen, werken, voorzieningen, stedelijk groen) afweegbaar als dat nodig is om in de stedelijke ruimtebehoefte te voorzien. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt echter niet voorzien in een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast sluit de voorgenomen omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag aan bij de stedelijke voorzieningen in de omgeving. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen het zoekgebied voor verstedelijking.

Binnen het gemengd landelijk gebied wil de provincie de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken door menging van functies die de afwisseling en kleinschaligheid versterken. Het stedelijk gebied staat hierbij niet tegenover het landelijk gebied, maar de gebieden ontwikkelen zich in balans met elkaar. Behoud van reliëf staat daarbij eveneens centraal. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het gemengd landelijk gebied mogelijk indien zij bijdragen aan een gemengde plattelandseconomie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf waarbij het bedrijf wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. Vanwege de ligging van de locatie is verdere ontwikkeling van een veehouderij niet mogelijk, waarmee er sprake is van onvoldoende economisch perspectief als de veehouderij wordt voortgezet. Er is in de omgeving een groeiende vraag naar ruimte voor statische op- en overslag. Een dergelijke functie heeft daarmee voldoende houvast voor een gezond economisch perspectief. Er wordt met de voorgenomen ontwikkeling daarmee bijgedragen aan een versterking van de economische positie van het bedrijf en daarmee een bijdrage geleverd aan de gemengde plattelandseconomie.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - Partiële herziening 2014 van de provincie Noord-Brabant.

 

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft in 2019, vooruitlopend op dce in werking treding van de Omgevingswet, de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld.

De Interim omgevingsverordening is een juridische verankering van het beleid uit de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. In de Verordening zijn beleidsregels opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen in zowel het stedelijk als het landelijk gebied.

De regels zoals zijn opgenomen in de verordening zijn per instantie nader gespecificeerd. Vanuit de verordening is de projectlocatie gelegen in een gebied dat in de verordening is aangemerkt als 'Verstedelijking afweegbaar', 'Gemengd landelijk gebied' en 'Beperkingen veehouderij'.

Binnen Verstedelijking afweegbaar kunnen stedelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Binnen de gebieden beperkingen veehouderij is de ontwikkeling van een veehouderij (uitbreiding van en/of een toename van de bebouwde oppervlakte) alleen mogelijk indien sprake is van een grondgebonden bedrijf volgens de definitie die de provincie daarvoor heeft vastgelegd in de "Nadere regels Verordening Ruimte Noord-Brabant - Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij". Omdat sprake is van een intensieve zeugenhouderij kan het bedrijf van de initiatiefnemer niet aan de definitie van een grondgebonden bedrijf voldoen, waarmee verdere ontwikkeling van het bedrijf niet mogelijk is. Voor ontwikkeling van niet-agrarische functies en/of woonfuncties vormt deze aanduiding echter geen aanvullende beperking.

 

Voor het gemengd landelijk gebied zijn door de verordening heen regels opgenomen

Voor woonfuncties geldt dat in beginsel alleen bestaande woningen zijn toegestaan. Verder wordt het afsplitsen van de bedrijfswoning (art. 3.69 lid c ) van een bedrijf en de omschakeling ervan naar burgerwoning mogelijk gemaakt onder voorwaarden:

"In afwijking van artikel 3.68 kan een bestemmingsplan voorzien:

in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat:

a. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;

b. overtollige bebouwing wordt gesloopt;

 

Ad. a:

Er is geen sprake van splitsing in meerdere woonfuncties.

Ad. b:

Er zal ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling ongeveer 1.950 m² aan bestaande bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Daarnaast worden nog drie mestbassins gesaneerd. Deze bebouwing zal niet worden gebruikt ten behoeve van de gewenste vervolgfunctie(s) en is derhalve als overtollige bebouwing aan te merken. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling daarmee sprake van sloop van overtollige bebouwing.

 

Voor niet-agrarische ontwikkelingen gelden specifieke regels. Dergelijke ontwikkelingen kunnen op basis van artikel 3.73 mogelijk worden gemaakt in het landelijk gebied onder de volgende voorwaarden:

" 3.73 Vestiging niet-agrarische functies in Landelijk gebied

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het landelijk gebied;

b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;

c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;

d. de vestiging heeft geen betrekking op:

1. een kantoor met baliefunctiie;

2 lawaaisprot;

3 mestbewerking.

Lid 2

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regeels:

a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

c. dat opslag en stalling plaats vindt in gebouwen;

d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegstane omvang.

Lid 3

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor:

a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;

b. een detalhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m2;

c. een voorziening ten dienste van vrije tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

 

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het bouwperceel (bestemmingsvlak en tevens bouwvlak), om te kunnen voorzien in voldoende verharding en manoeuvreerruimte voor (vracht)verkeer, een oppervlakte krijgen van ongeveer 5.400 m².

De ontwikkeling van het Landelijk gebied beoogt een versterking van de gemengde plattelandseconomie, waarbij verscheidene functies de kans krijgen zich te ontwikkelen, mits geen sprake is van aantasting van de in het gebied voorkomende waarden. Er wordt gestreefd naar een menging van functies in het gebied.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf. Het agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve vehouderij, kan vanwege de ligging in een gebied beperkingen veehouderij niet verder ontwikkelen en heeft daarmee geen economisch (toekomst)perspectief. Met de omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag wordt aan het bedrijf een nieuw en volwaardig economisch (toekomst)perspectief geboden. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan een versterking van de gemengde plattelandseconomie.

De locatie is gelegen in een gebied waarin zich reeds een menging van verscheidene functies heeft voorgedaan. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan bij de ontwikkeling van het gebied. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de functiemenging van het gebied.

Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de in het gebied voorkomende waarden onevenredig worden geschaad.

Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beoogde ontwikkeling van het Landelijk gebied.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal ongeveer 1.950 m² aan bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Daarnaast zullen drie mestbassins worden gesaneerd. Deze bebouwing zal niet worden gebruikt ten behoeve van de gewenste vervolgfunctie(s) en is derhalve als overtollige bebouwing aan te merken. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling daarmee sprake van sloop van overtollige bebouwing.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een bedrijf voor statische op- en overslag. Een dergelijke activiteit betreft een activiteit in milieucategorie 2, waarmee geen sprake is van een activiteit in milieucategorie 3 of hoger.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van splitsing in twee of meer afzonderlijke bedrijven. Het gehele bedrijf zal worden omgeschakeld.

Er is geen sprake van de ontwikkeling van een zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een zelfstandige detailhandelsvoorziening.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal ongeveer 4.030 m² aan bedrijfsbebouwing worden gebruikt voor de beoogde functie. Dit is voldoende om een bedrijf uit te voeren met voldoende economisch perspectief, ook in de toekomst. De initiatiefnemer is, na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling, niet voornemens het bedrijf op korte termijn uit te breiden. De gevraagde omvang biedt voldoende houvast om ook op lange(re) termijn te kunnen voorzien in een voldoende stabiele bedrijfsvoering.

Er is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een grootschalige ontwikkeling.

Er is geen sprake van uitbreiding of wijziging van een bestaande niet-agrarische functie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een omvang voor de gewenste niet-agrarische functie van ongeveer 5.400 m² gevraagd.

In vergelijking met de bestaande omvang zal bij de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een verkleining daarvan. Het bouwvlak wordt verkleind tot een omvang van ongeveer 5.400 m² (het bouwvlak is momenteel ongeveer 1,88 hectare). Daarnaast zal een deel van de aanwezige bebouwing worden gesloopt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een agrarisch bedrijf dat door, ligging in een gebied beperkingen veehouderij, niet verder kan ontwikkelen. Om leegstand van bebouwing te voorkomen wordt gekozen voor een nieuwe functie. Hiermee wordt verpaupering en, op termijn, de kans dat zich in de bebouwing illegale activiteiten gaan ontplooien voorkomen.

Indien het bedrijf zou moeten verplaatsen naar een bedrijventerrein dan dient een nieuwe locatie te worden aangekocht. Door de hoge prijs van industriegrond is dit voor de initiatiefnemer geen haalbare investering. De initiatiefnemer heeft al onvoldoende mogelijkheden om de intensieve veehouderij in duurzame en volwaardige mate uit te blijven voeren en daarmee ontbreken de financiële mogelijkheden voor verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein. Tevens zou het aankopen van een nieuwe locatie op een bedrijventerrein geen nieuwe invulling geven aan de bedrijfsbebouwing, waarmee alsnog leegstand (en daarmee kans op illegale activiteiten in de leegstaande bebouwing) zal plaatsvinden.

Daarnaast is de locatie gelegen nabij een toerit van de snelweg A58. De locatie is hiermee bijzonder goed bereikbaar en daardoor uitermate geschikt voor statische op- en overslag.

Hiermee ligt de vestiging op een bedrijventerrein niet in de rede.

De gemeente Breda heeft met de provincie afspraken gemaakt voor een invulling van de gestelde kwaliteitsverbetering van het landschap. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Landschapsinvesteringsregeling Breda" (paragraaf 3.3.2) past de voorgenomen ontwikkeling, door middel van de voorgenomen landschappelijke inpassing, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), binnen de gemaakte afspraken die tussen de gemeente en de provincie zijn gemaakt.

Hiermee wordt met de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate voldaan aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit.

 

Aan de voorwaarden voor de gewenste niet-agrarische functie kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan. De gemeente heeft hierover reeds overleg gevoerd met de provincie Noord-Brabant. De provincie heeft aangegeven de voorgenomen ontwikkeling voorstelbaar te vinden.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

 

3.2.3 Omgevingsvisie Noord-Brabant

 

De provincie Noord-Brabant is, in het kader van de naderende Omgevingswet, bezig met het opstellen van een nieuwe Omgevingsvisie waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie heeft reeds als ontwerp ter inzage gelegen. De beleidsuitgangspunten uit de ontwerp Omgevingsvisie zijn nog niet van kracht, maar bieden wel een goede kijk op het aankomende ruimtelijke beleid. Om deze reden is de ontwerp Omgevingsvisie eveneens in acht genomen bij de totstandkoming van het voorliggende plan.

De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  1. Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?

  2. De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

 

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  1. Werken aan de Brabantse energietransitie;

  2. Werken aan een klimaatproof Brabant;

  3. Werken aan de slimme netwerkstad;

  4. Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

 

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

Voor beëindiging van een veehouderij en omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf, waarbij de huidige bedrijfswoning wordt afgesplitst en omgeschakeld naar een burgerwoning zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt ontwikkeld.

Bij de beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de ontwerp Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

 

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Breda 2030

De gemeente Breda heeft op 26 september 2013 de Structuurvisie Breda 2030 vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2030. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.

De structuurvisie schetst een evenwichtige, toekomstbestendige en initiatiefrijke ontwikkeling van Breda. In de visie zijn realistische ambities gesteld, passend bij de huidige economische tijden. De gemeente staat open voor een nieuwe benadering van ontwikkeling. De visie wordt daarom dan ook meer als richtinggevend kompas gezien dan als blauwdruk.

Om economisch een sterke positie te behouden moet de gemeente zich regionaal en internationaal positioneren en profileren. Daarnaast moet op een goede manier worden omgegaan met de klimaatadaptie en de noodzakelijke energietransitie. Met de visie wordt een toekomstperspectief geschetst.

Breda wordt gekenmerkt door een veelzijdigheid aan kwaliteiten. Juist daar liggen de kansen voor een verdere ontwikkeling van Breda. Deze kenmerken kunnen samengevat worden in de volgende kernwaarden:

  1. Ondernemende en toegankelijke kernstad in een Europese regio;

  2. Onderwijsstad en ruimte voor vernieuwend ondernemerschap;

  3. Gastvrijheid centraal: ontmoeten, winkelen, ontspannen én plezierig zaken doen;

  4. Stad, dorpen en buitengebied horen bij elkaar;

  5. Cultureel erfgoed en de creatie van nieuwe waarden;

  6. De menselijke maat en participatie.

  7.  

Het fundament voor de ontwikkeling van Breda richting 2030 is het ontwikkelen van een compacte, duurzame stad, waarin ruimte is voor initiatief. Verstedelijkingsopgaven in het bestaande stedelijk gebied hebben de voorkeur boven de ontwikkeling van nieuwe buitenstedelijke terreinen. Hierdoor blijft het waardevolle buitengebied behouden voor landbouw en natuur. De kracht van het initiatief staat centraal, burgers, bedrijfsleven en overheid hebben hier allemaal een rol in. De verschillen in functie en karakter van delen van de stad maken Breda aantrekkelijk voor de diversiteit aan gebruikers.

 

Voor de ruimtelijke ontwikkeling van Breda staan drie hoofdlijnen centraal: Knooppunt Breda, Breda Markstad en Bredaas Mozaïek. De drie hoofdlijnen vertegenwoordigende drie P's (People, Planet en Profit) van duurzame ontwikkeling.

  1. Knooppunt Breda bouwt aan de economische kracht en regionale positie van Breda. Knooppunt Breda heeft een sterke relatie met mobiliteit. Deze hoofdlijn benadrukt de profit kant;

  2. Breda Markstad stelt de kansen en kwaliteiten van het water in Breda centraal. Water is belangrijk voor de cultuurhistorie en identiteit. Door de dalen is er een natuurlijke verweving van het buitengebied met het stedelijk gebied. Deze hoofdlijn bedient de planet kant;

  3. Bredaas Mozaïek stelt de diversiteit aan gebiedkarakteristieken als kwaliteit voor de stad. De lokale karakteristieken en behoeften van de dorpen, buitengebiedsdelen en stads-wijken van Breda staat centraal. De historische linten verbinden de mozaïekstukken met elkaar en zijn vaak drager van de gebiedkarakteristiek. Deze hoofdlijn is vooral geassocieerd met de people kant.

 

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in principe mogelijk mits zij passen binnen de doelstellingen zoals verwoord in de drie hoofdlijnen uit de visie.

  1. Knooppunt Breda:
    De locatie is gelegen nabij de (toerit van) de snelweg A58. Echter zal de voorgenomen ontwikkeling geen wijzigingen aan de infrastructuur of de snelweg tot gevolg hebben. De ontwikkeling vindt immers plaats op een bestaand erf en het bebouwde en verharde oppervlak zal alleen maar afnemen. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen invloed hebben op de infrastructuur en zal deze de doelstellingen voor het knooppunt Breda niet in de weg staan.

  2. Breda Markstad:
    De voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) geen onevenredig nadelige effecten hebben op de in het gebied en de omgeving voorkomende waarden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van wijzigingen aan de structuur van het landschap en/of aan natuurlijk water. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling de doelstellingen voor Breda Markstad niet in de weg staan.

  3. Bredaas Mozaïek:
    De voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) geen onevenredig nadelige effecten hebben op de in het gebied en de omgeving voorkomende waarden. Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede en bij het gebied passende landschappelijke inpassing die voldoet aan de afspraken zoals die hierover zijn gemaakt tussen de gemeente en de provincie. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de karakteristiek van het gebied en zal de ontwikkeling de doelstellingen voor het Bredaas Mozaïek niet in de weg staan.

 

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch bedrijf in het buitengebied beëindigd. Daarbij wordt het agrarisch bedrijf omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. De huidige bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf zal van het bedrijf worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Hierbij zijn de beleidsuitgangspunten ten aanzien van wonen en economie (werken) van belang.

 

Voor wat betreft de economische ontwikkeling wordt, om de concurrentiepositie van de gemeente te behouden en versterken, meebewogen en wordt ruimte geboden aan nieuwe initiatieven. Hierbij wordt bekeken of een initiatief kansen biedt voor de versterking van de economie.

Ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling is momenteel een agrarische intensieve veehouderij gevestigd. Door de ligging van de locatie in een gebied beperkingen veehouderij heeft de intensieve veehouderij onvoldoende toekomstperspectief om te kunnen blijven bestaan als een duurzaam en volwaardig bedrijf met een voldoende grote economische draagkracht en positie. Ook is de locatie daardoor vrijwel onverkoopbaar als veehouderij. Er dient derhalve te worden gezocht naar een nieuwe invulling die past binnen de kenmerken van het gebied. Met de voorgenomen omschakeling wordt aan het bedrijf een nieuwe invulling gegeven aan het bedrijf, waarbij het een sterke economische positie kan krijgen en, ook op langere termijn, kan behouden. Hiermee wordt bijgedragen aan de economie van het gebied.

 

Voor wonen in de gemeente worden in de visie bepaalde doelstellingen gesteld. Het is van belang dat aan elke doelgroep in de gemeente voldoende woningen aanwezig zijn. Door kleinschalige projecten en nieuwe onderscheidende kwaliteiten versterkt de gemeente de diversiteit. In toenemende mate realiseren huishoudens de verandering van hun woonwensen door aanpassen van de eigen woning in plaats van verhuizen. Historische en karakteristieke Bredase panden en monumenten worden gekoesterd als karakteristieke woonplekken en identiteitsdragers van het woonmilieu. De vraag van de bewoner staat in principe centraal, waardoor er ruimte wordt geboden voor initiatieven van bewoners en bedrijven. Door deze aanpak is er ruimte voor het voorgenomen initiatief.

Stijgende energiekosten en een grotere bewustwording van milieuaspecten vragen om duurzame oplossingen voor het wonen. Binnen de bestaande woningvoorraad is het belangrijk eigenaren bewust te maken van duurzame aanpassingen als isolatie en zonnepanelen. Bij de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning zal worden bekeken op welke wijze geïnvesteerd kan worden in duurzaamheid en energiebesparing.

 

De locatie is gelegen in het buitengebied. Hiervoor heeft de gemeente de doelstelling dat met name de agrarische sector hier de kans moet krijgen zich verder te ontwikkelen. De huidige trends in de landbouw laten een schaalvergroting van agrarische bedrijven zien met daarbij een afname van het aantal agrarische bedrijven. De gemeente heeft de ambitie de landbouw zich meer op regionale schaal te laten ontwikkelen.

De gebieden waarin de landbouw de meeste potentie voor ontwikkeling heeft betreffen de planmatige heideontginningen. De twee grootste heideontginningen gebieden zijn Groot Overveld (ten noorden van Prinsenbeek) en Lijndonk-Tervoort (ten oosten van Bavel). De locatie is gelegen in het gebied Lijndonk-Tervoort. Dit betreft een van de gebieden waarin de landbouw de ruimte moet krijgen zich verder te ontwikkelen. Nieuwe initiatieven zijn mogelijk zolang zij de ontwikkeling van de landbouw niet in de weg staan.

Het bedrijf van de initiatiefnemer betreft een intensieve veehouderij zonder landbouwgronden in gebruik te hebben. De bedrijvigheid vindt plaats op het bestaande erf en niet op gronden daarbuiten. Met de voorgenomen ontwikkeling gaan derhalve geen landbouwgronden verloren, waarmee de voorgenomen ontwikkeling de verdere ontwikkeling van de landbouw in het gebied niet in de weg zal staan. Bovendien wordt met de nieuwe invulling van de gronden (potentiële) leegstand voorkomen en neemt het verhard oppervlak af. Het beëindigen van een intensieve veehouderij leidt ten slotte tot milieuwinst.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Breda 2030 van gemeente Breda.

 

3.3.2 Landschapsinvesteringsregeling Breda

 

Voor ontwikkelingen in het buitengebied geldt vanuit provinciaal en gemeentelijk beleid een verplichting tot het investeren in de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij staat centraal dat een ontwikkeling moet bijdragen aan de kwaliteit van het buitengebied. In samenwerking met de provincie heeft de gemeente Breda derhalve de Landschapsinvesteringsregeling Breda vastgesteld, waarin is opgenomen in welke mate bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied moet worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit.

In de Landschapsinvesteringsregeling wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën voor ontwikkelingen:

  1. Categorie 1:
    Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist;

  2. Categorie 2:
    Ruimtelijke ontwikkelingen met relatief weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in enkel een goede landschappelijke inpassing;

  3. Categorie 3:
    Alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie.

 

Voor ontwikkelingen in categorie 1 en 2 is in de Landschapsinvesteringsregeling een lijst opgenomen. Komt een ontwikkeling niet voor in de lijst voor categorie 1 of 2 dan is sprake van een ontwikkeling in categorie 3.

Voor wat betreft het afsplitsen van de bedrijfswoning en de omschakeling daarvan naar een burgerwoning wordt gesteld dat er sprake kan zijn van een waardevermeerdering omdat de woning met omliggende gronden een woonbestemming krijgt. Echter is tegelijkertijd, door de waardedaling door het terugbrengen van agrarisch bebouwde gronden naar agrarische (onbebouwde) cultuurgronden. Dit wordt derhalve gezien als een verevening, waardoor voor een omschakeling van een bedrijfswoning naar een burgerwoning geen nadere investering in de ruimtelijke kwaliteit wordt geëist. De waardedaling van de naar agrarische cultuurgronden terug te brengen gronden wordt als voldoende investering beschouwd.

Wel is vaak nog een goede landschappelijke inpassing nodig. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt met de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 2 van deze toelichting). Hiermee is sprake van een goede landschappelijke inpassing en wordt voor de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning geen verdere investering geëist.

Omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf wordt gezien als een ontwikkeling in categorie 2. Echter geldt hiervoor een maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak van 5.000 m². Hieraan kan met de voorgenomen ontwikkeling niet worden voldaan, waarmee sprake is van een ontwikkeling in categorie 3. Omdat sprake is van een ontwikkeling in categorie 3 is, naast een goede landschappelijke inpassing, een aanvullende investering in de ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk op basis van de behaalde bestemmingswinst, waarbij minimaal 20% van de waardevermeerdering van de grond moet worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit.

 

De bestemmingswinst wordt bepaald op basis van forfaitaire bedragen van de provincie. Hierbij zijn de volgende waarden van belang:

  1. Agrarische grond, onbebouwd (zonder bouwvlak): € 5,- per m²;

  2. Agrarische grond, bebouwd (met bouwvlak): € 25,- per m²;

  3. Gronden met een bedrijfsbestemming: € 50,- per m².

 

In de huidige situatie is sprake van een agrarisch bouwvlak van ongeveer 1,88 hectare. Een deel van dit bouwvlak zal bij de omschakeling van de bedrijfswoning naar burgerwoning echter al worden benut voor de gewenste woonbestemming en de afwaardering van de gronden van agrarisch bebouwd naar agrarisch onbebouwd. Ten behoeve van de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning zal ongeveer 1.900 m² worden benut (een deel daarvan wordt benut voor de omschakeling naar een woonbestemming en een deel wordt teruggebracht als agrarische cultuurgrond). Dit betekent dat in de huidige situatie nog uitgegaan dient te worden van een oppervlakte van ongeveer 1,69 hectare (16.900 m²) aan agrarisch bebouwde gronden voor de gewenste omschakeling naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming.

 

De waarde van de huidige situatie is daarmee als volgt te bepalen:

16.900 m² x € 25,- (waarde grond agrarisch bebouwd) = € 422.500,-.

In de gewenste situatie zal het bouwvlak (het deel dat niet wordt benut voor de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning, zijnde ongeveer 16.900 m²) worden verkleind tot een totale oppervlakte van ongeveer 5.400 m². Het verkleinde bouwvlak zal een niet-agrarische bedrijfsbestemming krijgen. Het resterende deel van het bouwvlak zal worden teruggebracht naar agrarisch onbebouwde gronden.

 

Concreet vinden de volgende wijzigingen plaats:

Wijziging van agrarisch bebouwde grond naar grond met bedrijfsbestemming: 5.400 m²;

Wijziging van agrarisch bebouwde grond naar agrarisch onbebouwde grond: 11.500 m².

De waarde van de gewenste situatie is daarmee als volgt te bepalen:

Bedrijfsbestemming: 5.400 m² x € 50,- = € 270.000,-;

Agrarisch onbebouwde grond: 11.500 m² x € 5,- = € 57.500,-.

Totaal zal er een waarde van de gewenste situatie zijn van € 327.500,-.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een waardedaling van € 95.000,- (€ 422.500,- huidige situatie - € 327.500,- gewenste situatie). De waardedaling is daarmee reeds voldoende investering in de ruimtelijke kwaliteit. Echter zal de initiatiefnemer, ondanks dat geen nadere investering kan worden gedaan op basis van waardevermeerdering van de grond, aanvullende investeringen doen in de ruimtelijke kwaliteit.

De volgende ontwikkelingen worden als investering in de ruimtelijke kwaliteit gezien en mogen derhalve meegenomen worden in de berekening van de mate van investeren:

  1. landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken;

  2. aanleg c.q. herstel van natuur- en landschapselementen ter versterking van de landschapsstructuur;

  3. aanleg recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik (bankjes, wandelpaden, bebording, etc.);

  4. fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie en archeologie;

  5. sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) gebouwen/stallen/kassen en verwijderen verharding;

  6. verkleinen/opheffen van bestemmingsvlakken/bouwvlakken;

  7. fysieke bijdrage aan realisering Ecologische hoofdstructuur (EHS) en ecologische verbindingszones (EVZ's).

 

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit door middel van landschappelijke inpassing alsmede door sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing. De wijze van landschappelijke inpassing is nader uitgewerkt in het landschappelijk inrichtingsplan, zoals als bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen. Er is, omdat sprake is van een waardedaling en niet van een waardestijging, geen berekening gemaakt van de mate van investeren in de ruimtelijke kwaliteit in het landschappelijk inrichtingsplan. De landschappelijke inpassing wordt echter gezien als een investering in de ruimtelijke kwaliteit. Tevens biedt de voorgenomen landschappelijke inpassing een goede inpassing van het initiatief, waarmee wordt voldaan aan de eis voor een goede landschappelijke inpassing.

Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling ongeveer 1.950 m² aan (niet cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing gesloopt. Hiervoor mag, volgens de Landschapsinvesteringsregeling, worden gerekend met een investering van € 25,- per m² aan gesloopte bebouwing. Door de sloop zal daarmee nog eens € 48.750,- (€ 25,- x 1.950 m²) worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit.

Gesteld kan worden dat met de voorgenomen ontwikkeling daarmee in (ruim) voldoende mate wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit.

 

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn verwoord in de Landschapsinvesteringsregeling Breda van de gemeente Breda.

 

3.3.3 Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda

 

Op 10 september 2004 heeft de gemeente Breda de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda vastgesteld. Op 20 juni 2013 heeft de gemeenteraad hierop een herijking, de Herijking Parkeer- en Stallingsbeleid Breda, vastgesteld.

In de nota en de herijking daarop zijn de beleidslijnen ten aanzien van parkeren opgenomen. Hierbij zijn tevens parkeernormen van toepassing. Voor wat betreft de parkeernormen wordt onderscheid gemaakt in verschillende deelgebieden. De locatie is, vanuit de gebiedsindeling, gelegen in een gebied dat is gekenmerkt als 'overig gebied'.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van afsplitsing van de bedrijfswoning van het bedrijf en het omschakelen daarvan naar een burgerwoning. Voor burgerwoningen in het overig gebied geldt een parkeernorm van 1,9 parkeerplaats per woning. Ter plaatse van de woning is reeds ruim voldoende verharding aanwezig voor twee auto's om zonder problemen te kunnen parkeren. Na realisatie van de gewenste ontwikkeling zal eveneens ruim voldoende ruimte beschikbaar zijn om te kunnen voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen. Er is eveneens voldoende ruimte om te kunnen voorzien in nog extra parkeergelegenheid, mocht dat in de toekomst noodzakelijk blijken. Hiermee zijn er ten aanzien van de woning voldoende parkeerplaatsen beschikbaar en wordt voldaan aan het gestelde in de nota.

Daarnaast is sprake van beëindiging van het agrarisch intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse, waarbij het agrarisch bedrijf wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. In de nota zijn dergelijke bedrijven aangemerkt als 'arbeidsextensieve bedrijven'. Voor dergelijke bedrijven in het overige gebied geldt een parkeerorm van 0,7 per 100 m² aan bruto vloeroppervlak van het bedrijf. Bij de gewenste omvang van ongeveer 5.400 m² zou dit betekenen dat ter plaatse in minimaal 38 parkeerplaatsen moet worden voorzien.

Een dergelijke norm is echter meer gericht op bedrijven die zich hebben gevestigd op een industrieterrein en niet op solitaire bedrijven in het buitengebied. De gestelde norm is daarmee voor de gewenste ontwikkeling niet reëel te noemen. Het bedrijf zal door de initiatiefnemer zelf worden uitgevoerd en worden beheerd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verdere personele bezetting. Alleen voor de initiatiefnemer zal één parkeerplaats nodig zijn. Daarnaast zullen in de praktijk incidenteel diensten worden geleverd of goederen worden gebracht. Dit is echter incidenteel. Om hieraan tegemoet te komen zal voor deze gevallen worden voorzien in één extra parkeerplaats.

Daarnaast zullen mensen die gebruik maken van de diensten (statische op- en overslag) het bedrijf bezoeken. Dit bezoek is echter (zeer) kortdurend. De meesten zullen met de auto doorrijden tot aan de plaats waar de goederen zijn opgeslagen, op die plek laden/lossen en/of aankoppelen/afkoppelen en vervolgens weer vertrekken. Er zal nagenoeg geen sprake zijn van parkeren bij het bedrijf door mensen die van de diensten gebruik maken. Bij de gewenste inrichting van het erf is rekening gehouden met voldoende verharding voor zowel vracht- als personenverkeer om te kunnen manoeuvreren en ter plaatse te kunnen laden en lossen en/of aankoppelen en afkoppelen. De verharding kan, indien nodig, eveneens worden benut voor parkeren. Er is daarmee sprake van ruim voldoende gelegenheid om te parkeren.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling kan worden voldaan aan hetgeen is opgenomen in de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda en de Herijking Parkeer- en Stallingsbeleid Breda van de gemeente Breda.

 

 

HOOFDSTUK 4 Ruimtelijke en milieuaspecten

 

4.1 Milieu

4.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

  1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);

  2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

 

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Bij de gewenste ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf afgesplitst en omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning veroorzaakt geen hinder aan de omgeving. Daarnaast zal het feitelijk gebruik niet wijzigen. Er is reeds sprake van een woning en dit zal zo blijven.

Daarnaast wordt het agrarisch (intensieve veehouderij)bedrijf ter plaatse beëindigd en omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. Voor een bedrijf voor statische op- en overslag zijn in de handreiking van de VNG geen richtafstanden opgenomen. In dat geval dient te worden aangesloten bij een activiteit die het meest vergelijkbaar is met de voorgenomen activiteit. De gewenste activiteiten zijn het meest te vergelijken met opslaggebouwen (verhuur opslagruimte). Voor een dergelijke functie zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  1. Geur: 0 meter.

  2. Stof: 0 meter.

  3. Geluid: 30 meter.

  4. Gevaar: 10 meter.

 

Het dichtstbijzijnd gevoelig object, niet zijnde de af te splitsen en om te schakelen bedrijfswoning, betreft de woning aan de Gilzeweg 13 en bevindt zich op een afstand van ongeveer 120 meter (gemeten van grens van het gewenste bouwvlak tot de bestemmingsgrens van de betreffende woning). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving.

De af te splitsen en om te schakelen bedrijfswoning is, gemeten van het gewenste bouwvlak van het bedrijf tot aan de gewenste bestemmingsgrens van de woning, gelegen op een afstand van ongeveer 58 meter. Hiermee wordt ook ten aanzien van de af te splitsen en om te schakelen bedrijfswoning voldaan aan de gestelde richtafstanden, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige hinder aan de af te splitsen en om te schakelen bedrijfswoning.

Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Een bedrijf voor statische op- en overslag betreft geen verblijfsruimte. Het bezoek van gebruikers van de diensten is niet permanent en vaak zeer kortdurend. Ook de werkzaamheden in de bebouwing zijn niet van dusdanige aard dat in de gebouwen sprake is van een verblijf. Er is daarmee geen sprake van een gevoelig object of van een verblijfsruimte.

Wel zal de bestaande bedrijfswoning bij een intensieve veehouderij worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Om deze reden wordt alsnog gekeken of omliggende functies in de ontwikkelingsmogelijkheden kunnen worden geschaad.

Nabij de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Verder zijn nabij de locatie de volgende inrichtingen gelegen:

  1. Gilzeweg, naast Gilzeweg 9 en 9a: Niet-agrarisch bedrijf;

  2. Gilzeweg 26a: Agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij;

  3. Gilzeweg 28: Agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij.

 

Gilzeweg, naast Gilzeweg 9 en 9a.

Het bedrijf aan de Gilzeweg, naast de woningen aan de Gilzeweg 9 en 9a, betreft een niet-agrarisch bedrijf. In het bestemmingsplan is opgenomen dat bedrijven zijn toegestaan tot maximaal milieucategorie 2, tenzij voor het bedrijf een specifieke aanduiding is opgenomen. Voor het betreffende bedrijf is geen aanduiding opgenomen, waarmee sprake moet zijn van een bedrijf in maximaal milieucategorie 2. De grootste richtafstand voor een bedrijf in milieucategorie 2 is 30 meter.

De afstand van het betreffende bedrijf tot aan de af te splitsen en om te schakelen woning (gemeten van gewenst bestemmingsvlak van de woning tot aan het bestemmingsvlak van het betreffende bedrijf) bedraagt ongeveer 170 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee dit bedrijf niet in de ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt.

Daarnaast wordt dit bedrijf al beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Er is daarmee geen sprake van een verdere belemmering van dit bedrijf.

 

Gilzeweg 26a:

Het bedrijf aan de Gilzeweg 26a betreft een agrarisch bedrijf. In het bestemmingsplan is ter plaatse een agrarisch bedrijf mogelijk. Een veehouderij kan uitsluitend mogelijk worden gemaakt indien aan een locatie de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' of 'intensieve veehouderij' is toegekend. Aan de locatie is deze aanduiding niet toegekend, waarmee sprake is van een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij. De grootste richtafstand voor een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij, bedraagt 30 meter.

De afstand van het betreffende agrarisch bedrijf bedraagt, gemeten van gewenst bestemmingsvlak van de af te splitsen woning tot aan de grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf, ongeveer 36 meter, waarmee aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan.

Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf.

 

Gilzeweg 28:

Het bedrijf aan de Gilzeweg 28 betreft een agrarisch bedrijf. In het bestemmingsplan is ter plaatse een agrarisch bedrijf mogelijk. Een veehouderij kan uitsluitend mogelijk worden gemaakt indien aan een locatie de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' of 'intensieve veehouderij' is toegekend. Aan de locatie is deze aanduiding niet toegekend, waarmee sprake is van een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij. De grootste richtafstand voor een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij, bedraagt 30 meter.

De afstand van het betreffende agrarisch bedrijf bedraagt, gemeten van gewenst bestemmingsvlak van de af te splitsen woning tot aan de grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf, ongeveer 143 meter, waarmee ruimschoots aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan.

Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. Daarnaast wordt dit bedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Er is daarmee geen sprake van een verdere belemmering van dit bedrijf.

Gezien het voorgaande zal geen sprake zijn van beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en functies.

 

4.1.2 Geur

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf waarbij dit wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. Daarbij wordt de bestaande bedrijfswoning afgesplitst van het bedrijf en omgeschakeld naar een burgerwoning.

Zowel een bedrijf voor statische op- en overslag als een burgerwoning veroorzaken geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.

Door de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de geurbelasting in de omgeving alleen maar afnemen, wat een verbeterde situatie ten aanzien van geur zal opleveren.

Naast het feit dat met een ontwikkeling geen onevenredige geurhinder worden ondervonden ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. De ruimten bij een bedrijf voor statische op- en overslag zijn geen verblijfsruimten en derhalve niet geurgevoelig.

Wel wordt de bedrijfswoning bij een intensieve veehouderij omgeschakeld naar een burgerwoning, waarmee deze woning wellicht een zwaarder beschermingsregime krijg ten aanzien van geur. In de directe omgeving van de locatie zijn echter geen inrichtingen gelegen die leiden tot een onevenredige geurhinder. Er zijn nabij de locatie geen veehouderijen gelegen of andere inrichtingen die een uitstoot van geur tot gevolg hebben. Daarmee zal de geurbelasting ter plaatse naar verwachting niet dusdanig hoog zijn dat hier ter plaatse van de woning hinder van wordt ondervonden.

Daarnaast zal het feitelijk gebruik van de woning niet veranderen. Er is momenteel sprake van bewoning van de betreffende woning en dit zal na realisatie van de plannen niet veranderen.

 

4.1.3 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

 

4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Door de beëindiging van de veehouderij zal de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden alleen maar afnemen. Hiermee ontstaat een verbeterde situatie ten aanzien van fijnstof en stikstofoxiden in de omgeving.

Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit tot gevolg mag hebben geldt dat wanneer sprake is van het oprichten van een nieuw gevoelig object ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet zijn ten aanzien van luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. De ruimten bij een bedrijf voor statische op- en overslag zijn geen verblijfsruimten en derhalve niet geurgevoelig.

Wel wordt de bedrijfswoning bij een intensieve veehouderij omgeschakeld naar een burgerwoning. Om deze reden is gekeken of ter plaatse sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.

Voor luchtkwaliteit geldt een landelijke norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). De provincie Noord-Brabant heeft deze norm aangescherpt tot 31,2 µg/m³. Bij een achtergrondconcentratie van 31,2 µg/m³ is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals te zien in de volgende figuur bedraagt de achtergrondconcentratie volgens de Atlas van de Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ter plaatse ongeveer 18 µg/m³. Dit is ruim onder de gestelde norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

 

 [image]

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie luchtkwaliteit.
Bron: Atlas van de Leefomgeving van het RIVM.

 

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen

Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

 

4.1.4 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  1. Woningen.

  2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).

  3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

 

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:

  1. Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg.

  2. Woonwagenstandplaatsen.

 

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

 

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

 

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Wel wordt een bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Er ontstaat geen nieuwe woning dus een toetsing, dan wel een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde hoeft niet (opnieuw) plaats te vinden. Het nieuwe blouwvlak wordt strak om de bestaande woning heen gelegd zodat aan de positionering van de woning op het perceel weinig kan veranderen. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.

 

4.1.4.2 Industrielawaai

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen.

Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

 

4.1.5 Woon- en leefklimaat

Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

 

4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie

Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Wel wordt een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Zoals echter nader omschreven in de paragrafen "Geur" (paragraaf 4.1.2), "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) en "Geluid" (paragraaf 4.1.4) zal ter plaatse van de om te schakelen woning geen sprake zijn van een onevenredige belasting op het gebied van geur, luchtkwaliteit en/of geluid, waarmee ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

 

4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving

Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving.

Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

 

4.1.6 Externe veiligheid

Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.

In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.

 

4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen

Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

 

 [image]

Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).

 

Nabij de locatie zijn enkele risicovolle inrichtingen gelegen. Het betreft bedrijven met een propaantank. Voor dergelijke tanks geldt geen invloedsgebied, maar is wel een risicocontour opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze contour bedraagt voor de betreffende tanks 25 meter. De locatie is op een afstand van ongeveer 860 van het dichtstbijzijnde bedrijf met een propaantank gelegen, waarmee geen sprake is van onevenredige risico's vanuit deze bedrijven.

De locatie is nabij enkele transportroutes voor (mogelijk) gevaarlijke stoffen gelegen (een buisleiding en een snelweg). Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen" (paragraaf 4.1.6.2).

 

4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

De locatie is nabij de snelweg A58 gelegen. Over deze snelweg vindt mogelijk vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor een autosnelweg geldt een invloedsgebied van 200 meter. De locatie is op een afstand van ongeveer 170 meter van de snelweg A58 gelegen en is daarmee binnen het invloedsgebied daarvan gelegen.

De locatie is voor een deel gelegen over een tracé van een buisleiding voor de transport van gas gelegen. Hiermee is de locatie in het invloedsgebied van een gasleiding gelegen.

Het groepsrisico dient daarmee nader te worden gemotiveerd. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3).

 

4.1.6.3 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.

De planlocatie is binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Het gaat om het invloedsgebied van de snelweg A58 en een leiding voor de transport van gas. Hiermee dient het groepsrisico nader te worden verantwoord.

Het is van belang te onderzoeken of de personendichtheid binnen het invloedsgebied onevenredig toeneemt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe verblijfsruimten en zal geen sprake zijn van een onevenredige groei van het personeel. Hiermee zal de personendichtheid niet in onevenredige mate toenemen, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van het groepsrisico.

 

De ligging van de gasleiding is aangegeven met de dubbelbestemming Leiding. Ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden beperkt. Daarnaast moet overleg plaatsvinden met de tracébeheerder als er werkzaamheden nabij de gasleiding verricht moeten worden. Het uitvoeren van die werkzaamheden moet onder toezicht van de Gasunie plaatsvinden.

 

4.1.7 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.

Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen verontreinigingen zijn aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

 

4.1.8 Voortoets MER-beoordeling

Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
    of

  2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

 

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

 

4.1.8.1 Omvang van het project

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag en daarbij de afsplitsing van de huidige bedrijfswoning en de omschakeling daarvan naar een burgerwoning. Voor deze activiteiten zijn vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geen drempelwaarden opgenomen.

Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.

De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Er zijn verder geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij beëindigd. Dit zal alleen maar leiden tot een milieuwinst en een verbeterde situatie.

Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.

 

4.1.8.2 Plaats van het project

De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.

 

4.1.8.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project

De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.

Door beëindiging van het intensieve veehouderijbedrijf zal de situatie voor wat betreft milieu en ecologie alleen maar verbeteren.

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

 

4.2 Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

 

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Ulvenhoutse Bos) is gelegen op een afstand van ongeveer 1,8 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt echter een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij beëindigd. Het bedrijf wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. Een bedrijf voor statische op- en overslag heeft geen uitstoot van ammoniak. De huidige intensieve veehouderij heeft een grote uitstoot van ammoniak. Door de gewenste ontwikkeling zal de uitstoot van ammoniak daarmee aanzienlijk afnemen.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal het aantal verkeersbewegingen bij de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig toenemen. Naar verwachting zal het aantal verkeersbewegingen juist afnemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toename van de uitstoot van stikstofoxiden.

Gezien de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden niet zal toenemen, zal de stikstofdepositie op de betreffende gebieden niet toenemen. Door de afname van de uitstoot van ammoniak en de verwachtte afname van de uitstoot van stikstofoxiden zal de stikstofdepositie op de betreffende gebieden juist afnemen, wat een verbetering van de situatie zal betekenen.

Verder zijn aspecten als geluid, trillingen en licht mogelijk van invloed op de betreffende gebieden. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een structurele uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Alleen tijdens de sloopwerkzaamheden zal daar mogelijk sprake van zijn. Dit is echter tijdelijk van aard en gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied (ongeveer 1,8 kilometer) zullen de effecten daarvan op de betreffende gebieden niet merkbaar zijn.

 [image]

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator
.

 

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  1. buiten de bebouwde kom-boswet liggen;

  2. een oppervlakte hebben van 10 are of meer;

  3. rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen;

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

 

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

  1. Vogelrichtlijn:
    Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).

  2. Habitarichtlijn:
    Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.

  3. Nationaal beschermde soorten:
    Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.

  4. Zorplicht:
    Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

 

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van sloop van bebouwing. Het komt vaak voor dat zich in bebouwing beschermde soorten flora en fauna hebben gevestigd.

Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een quickscan naar ecologische waarden uitgevoerd. Hieruit blijkt dat beschermde gebouw-bewonende vleermuizen, en de huismus, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten, niet uit te sluiten zijn binnen het plangebied. Door het uitvoeren van sloop- en graafwerkzaamheden worden mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten aangetast. Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar vleermuizen en huismussen aanbevolen. Voor de gehele quickscan wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.

Op basis van de resultaten uit de quickscan is een nader onderzoek naar vleermuizen en huismussen uitgevoerd. Dit onderzoek vindt, volgens officieel protocol, plaats in twee perioden. Het vervolgonderzoek in de eerste periode is reeds uitgevoerd en daarvan is verslag gemaakt. Daaruit blijkt dat in de te slopen mestsilo verblijfsplaatsen van zowel vleermuizen als huismussen kunnen worden uitgesloten. In stal 1 zijn geen (verblijfsplaatsen van) vleermuizen en huismussen aangetroffen en de aanwezigheid van deze soorten is in stal 1 vrijwel uit te sluiten. In stal 2 zijn verblijfsplaatsen van vleermuizen uit te sluiten. Wel is één nest aangetroffen waarin het verblijf van huismussen niet geheel is uit te sluiten, maar er wordt verwacht dat dit nest van de Witte Kwikstaart is. Deze vogel is ter plaatse namelijk ook aangetroffen. De tweede periode van het vervolgonderzoek zal nader uit moeten wijzen of het nest inderdaad van de witte kwikstaart is of alsnog van een huismus. In de rapportage wordt aanbevolen de sloop van de bebouwing vooralsnog te laten begeleiden door een ecoloog. Voor het gehele verslag van de eerste periode van het vervolgonderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.

Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is het zeer aannemelijk dat er geen sprake is van het verblijf van vleermuizen en/of huismussen in de bestaande bebouwing. Uit de gedane onderzoeken is gebleken dat andere mogelijk beschermde soorten niet met de voorgenomen ontwikkeling zullen worden aangetast. Voor het aangetroffen nest dat waarschijnlijk van de Witte Kwikstaart is, maar mogelijk van de huismus, zal nader overleg met de gemeente plaatsvinden. De tweede periode zal hierover nog meer uitsluitsel geven. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling niet worden gesloopt voordat is uitgesloten dat zich in de stallen beschermde soorten bevinden.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten flora en fauna.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Het beheer van het NNN is deels in handen gegeven van de provincies. De provincie Noord-Brabant heeft de bescherming van het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 275 meter van de locatie.

 

 

 [image]

Uitsnede kaart NNN/NNB.
Bron: Provincie Noord-Brabant
.

 

Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen areaal aan NNN/NNB-gebieden verloren gaan. Naast het feit dat geen areaal verloren mag gaan kan de uitstoot van fijnstof nadelige gevolgen hebben op gebieden in het NNN/NNB. Bij de gewenste ontwikkeling zal, door beëindiging van een intensieve veehouderij, sprake zijn van een afname van de uitstoot van fijnstof. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op het NNN/NNB.

 

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers sprake van een beëindiging van een agrarische intensieve veehouderij, waarbij de uitstoot van ammoniak alleen maar zal afnemen. Omdat de uitstoot van ammoniak zal afnemen zal ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden, maar juist van een afnemende depositie. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving, maar eerder sprake van een verbetering.

 

 

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Breda voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'gebied met middelhoge archeologische verwachting'.

 

 

 

[image]Uitsnede archeologische verwachtingskaart.
Bron: Gemeente Breda.

 

Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de sloop van bebouwing, waarbij de verstoring van de bodem meer dan 100 m² zal bedragen en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld zal plaatsvinden, waarmee nader onderzoek naar archeologische resten noodzakelijk is. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het plangebied geen sprake meer van een intact archeologisch relevant niveau, waardoor de onderzoeker adviseert de middelhoge verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden bij te stellen naar een lage verwachting. Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.

 

4.3.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

 [image]

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

 

Nabij de locatie is een karakteristiek pand gelegen met een historische waarde. De ontwikkeling zal echter uitsluitend op het eigen erf plaatsvinden en zal geen invloed hebben op het pand op een nabijgelegen erf. Er zal daarmee geen sprake zijn van aantasting van het karakteristieke pand.

De Gilzeweg is deels aangemerkt als historisch geografische lijn met een redelijk hoge waarde. De ontwikkeling zal geheel op het eigen erf plaatsvinden en zal geen aanpassingen aan de Gilzeweg tot gevolg hebben. Daarnaast zal het bebouwde en verharde oppervlak met de gewenste ontwikkeling afnemen, waarmee de openheid zal worden bevorderd. Dit komt de historisch geografische lijn alleen maar ten goede. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van de betreffende historisch geografische lijn.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

 

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

 

 [image]

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

 

Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

 

4.4 Verkeer en parkeren

 

4.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Gilzeweg. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda" (paragraaf 3.3.3) zal met de voorgenomen ontwikkeling ook worden voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Breda.

 

4.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarbij wordt het bedrijf omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. Daarnaast zal de bedrijfswoning van het bedrijf worden afgesplitst en zal deze worden omgeschakeld naar een burgerwoning.

Ten aanzien van de bedrijfswoning zal geen sprake zijn van een toename of wijziging van het aantal verkeersbewegingen. Het huidige gebruik is het gebruik als woning en dit zal na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer nog steeds het geval zijn. Het aantal verkeersbewegingen zal daarom bij de gewenste omschakeling van de bedrijfswoning niet veranderen.

Bij een intensief veehouderijbedrijf is sprake van regelmatige aan- en afvoer van dieren, aanlevering van voer en levering van diensten en overige goederen. Bij een bedrijf voor statische op- en overslag is voornamelijk sprake van opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing nodig hebben. Hierbij zullen de gebruikers van deze opslag slechts een paar keer per jaar goederen komen opslaan of ophalen. Er is geen sprake van een continue levering en afvoer van de opgeslagen goederen. Het aantal verkeersbewegingen zal daarmee lager liggen dan die bij een agrarische intensieve veehouderij.

Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen, maar gezien de statische aard van de activiteiten ter plaatse, eerder van een afname van het aantal verkeersbewegingen in vergelijking met de huidige situatie.

 

 

4.5 Water

4.5.1 Voorgenomen activiteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij. Het bedrijf zal worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische op- en overslag. Daarnaast zal de huidige bedrijfswoning van het bedrijf worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning.

Het bouwvlak ter plaatse zal worden verkleind en er zal een deel van de bestaande bedrijfsbebouwing (ongeveer 1.950 m²) worden gesloopt. Tevens zal een deel van de huidige erfverharding worden verwijderd en zal nog een drietal mestbassins worden gesaneerd. Er is daarmee sprake van een afname van het bebouwd en verhard oppervlak.

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:

  1. Voor ontwikkelingen tot 2.000 m² is geen aanvullende compensatie nodig.

  2. Voor ontwikkelingen tussen de 2.000 m² en 10.000 m² dient de rekenregel te worden toegepast om te bepalen hoeveel compensatie nodig is.

  3. Voor ontwikkelingen boven de 10.000 m² is maatwerk noodzakelijk.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Er is sprake van een afname van het bebouwde en verharde oppervlak. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken worden:

  1. zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;

  2. duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;

De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd.

Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

 

4.5.2 Compenserende waterberging

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.

 

 

 

HOOFDSTUK 5 Uitvoerbaarheid

 

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.

Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:

" Artikel 6.2.1

Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:

  1. de bouw van een of meer woningen;

  2. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;

  3. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;

  4. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

  5. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt;

  6. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte.

 

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Breda.Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

 

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" van gemeente Breda en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

 

5.3 Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Breda vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

HOOFDSTUK 6 Wijze van bestemmen

 

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  1. goede ruimtelijke ordening;

  2. uitvoerbaarheid.

 

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;

  2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

 

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:

  1. het bebouwen van de gronden;

  2. het verrichten van werken (aanleggen).

 

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

 

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

 

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).

Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.

Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

 

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  1. Inleidende regels:
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;

  2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;

  3. Algemene regels:
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;

  4. Overgangs- en slotregels:
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

 

Bijlagen bij de planregels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

 

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

 

 

6.3 Voorliggend bestemmingsplan

 

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  1. 'Agrarisch', waarbij de functie voor het agrarisch gebruik van de gronden wordt neergelegd.

  2. 'Bedrijf', waarbij de functie voor het uitvoeren van het gewenste niet-agrarische bedrijf voor statische op- en overslag wordt neergelegd.

  3. 'Wonen', waarbij de functie voor het gebruik als burgerwoning van de woning wordt neergelegd.

Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden:

  1. De bedrijfswoning wordt van het bedrijf afgesplitst en omgeschakeld naar een burgerwoning. Binnen de bestemming 'Bedrijf' is derhalve een aanduiding opgenomen dat hierin geen (nieuwe) woning is toegestaan.

  2. De af te splitsen en om te schakelen bedrijfswoning is voorzien van een eigen bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' en een eigen bouwvlak.

  3. Het bouwvlak van het huidige agrarisch bedrijf is, afgezien van het deel dat wordt afgesplitst ten behoeve van de om te schakelen bedrijfswoning, verkleind tot een omvang van ongeveer 5.400 m². De overige gronden in het bouwvlak hebben een agrarische bestemming zonder bouwvlak gekregen.

 

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).

 

HOOFDSTUK 7 Communicatie

Vooroverleg

 

In het kader van de procedure is het concept van het plan ter vooroverleg voorgelegd aan Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Waterschap Brabantse Delta en Natuurplein.

 

Van deze instanties heeft alleen Gedeputeerde Staten schriftelkijk een reactie gegeven. Andere partijen hebben niet gereageerd.

 

In de reactie van Gedeputeerde Staten geven zij aan dat splitsing van het bouwperceel in 2 bestemmingen (Wonen en Bedrijf) in strijd is met de Verordening ruimte. Verzoeken het plan dan ook te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de genoemde verordening. De grootte van het bestemmingsvlak is in strijd met de Verordening ruimte maar zou wel kunnen passen in de Interim omgevingsverordening mits deze ontwikkeling dan past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Daarnaast is de kwaliteitsverbetering niet in verhouding tot de ontwikkeling nu sprake is van twee bestemmingen.

 

In dit kader wordt het volgende opgemerkt.

Over de reactie t.a.v. de afspliting van de bedrijfswoning is overleg geweest met de provincie. Mits goed onderbouwd zou een afsplitsing van de bedrijfswoning van het bedrijfsgedeelte wellicht toch akkoord zijn. In dit kader is in de toelichting (paragraaf 2.2.3) dan ook een nadere onderbouwing hiervoor opgenomen. Daarbij is eveneens opgemerkt dat de Verordening ruimte indirect wel een mogelijkheid geeft de bedrijfswoning af te splitsen nadat de bestemming is gewijzigd.

Ten aanzien van de grootte van het bestemmingsvlak en of deze ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelrichting van het gebied wordt opgemerkt dat in het gehele gebied een transformatie aan de gang is waarbij het transformeert van puur agrarisch naar een gemengd gebied met agrarische bedrijven, wonen en niet agrarische bedrijven. Deze transformatie is al jaren in gang gezet en wordt ook mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan voor dit gebied, het bestemmingsplan Buitengebied Oost via de daarin opgenomen wijzigingsbeveoegdheden voor de diverse bestemmingen. Dat op de onderhavige locatie deze ruime bebouwing wordt toegestaan en acceptabel is, is met name ook gelegen in het feit dat deze locatie zeer gunstig is gelegen ten opzichte van de rijksweg. Daarnaast weegt hierbij uiteraard ook mee dat hiermee een intensieve veehouderij wordt opgeheven met alle daarbij behorende positieve (milieu)effecten op de verre omgeving van deze locatie.

Verder is er een nadere check gedaan op de kwaliteitsverbetering van het landschap in het kader van deze herziening. Dit heeft er toe geleid dat dit is aangepast. Een nieuw inrichtingsplan is aan de toelichting toegevoegd.