Gemeente Breda

Planteksten

Op deze pagina vindt u de planteksten behorende bij het plan Buitengebied Nieuw Ginneken, Woestenbergseweg 4 Bavel.

Toelichting


 

Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

1.2 Ligging en plangrenzen

1.3 Huidige planologie

1.4 Planvorm

1.5 Leeswijzer

 

HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse

2.1 Inleiding

2.2 Positionering plangebied

2.3 Ruimtelijke structuur

2.4 Functionele structuur

 

HOOFDSTUK 3 Beleid

3.1 Inleiding

3.2 Rijksbeleid

3.3 Provinciaal beleid

3.4 Gemeentelijk beleid

 

HOOFDSTUK 4 Planbeschrijving

4.1 Inleiding

4.2 Planbeschrijving

4.3 Kwaliteitsverbetering

 

HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap

5.1 Inleiding

5.2 Milieueffectrapportage

5.3 Bodem

5.4 Water

5.5 Ecologie

5.6 Bedrijven

5.7 Geluid

5.8 Luchtkwaliteit

5.9 Geur

5.10 Externe veiligheid

 

HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding

6.2 Hoofdopzet

6.3 Bestemmingen

 

HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Toepassing afdeling 6.4 Wro (Grondexploitatie)

7.2 Financiële uitvoerbaarheid

 

HOOFDSTUK 8 Communicatie

8.1 Inleiding

8.2 Procedure

 

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding en doel

 

De gemeente Breda heeft in 2005 de gronden aan de Woestenbergseweg 4 in Bavel aangekocht ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein Bavel Zuid. Sindsdien is de aanwezige woning tijdelijk beheerd.

Door de veranderende economische situatie heeft echter een heroverweging van de stedelijke planning en programmering plaatsgevonden, waardoor ook de noodzaak is ontstaan voor een heroriëntatie op de ontwikkeling van het gebied Bavel Zuid. In de Structuurvisie Breda 2030 is daarom besloten dat Bavel-Zuid een strategische reservelocatie is voor maximaal 35 hectare bruto bedrijventerrein voor na 2030 of eerder indien daar noodzaak voor is.

Realisatie van het bedrijventerrein is dus op korte termijn niet aan de orde. Daarom is gezocht naar een vorm van beheer voor een langere periode waarbij de gemeente te zijner tijd wel weer vrij kan beschikken over de gronden en het pand.

Gedurende die zoektocht is een verzoek binnengekomen om op de locatie dagbesteding aan te bieden aan mensen met een licht verstandelijk beperking en/of psychische klachten. Op de locatie zal uitsluitend door initiatiefnemer gewoond worden. Ter plekke wordt door clienten niet gewoond of overnacht.

 

Het initiatief past niet in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Nieuw-Ginneken’ (en ‘Buitengebied Nieuw-Ginneken, partiële herziening 2010’), waarin de locatie de bestemming ‘Woondoeleinden’ en ‘Agrarisch gebied’ heeft. Binnen deze bestemmingen is het uitoefenen van een maatschappelijke functie niet toegestaan. Om genoemde functiewijziging mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied Nieuwe Ginneken' noodzakelijk. Met voorliggend document wordt hieraan voldaan.

 

 

1.2 Ligging en plangrenzen

 

Het plangebied ligt in het buitengebied van Breda, ten zuiden van de kom van Bavel (figuur 1.1).

 

 [image]

Figuur 1.1 Ligging plangebied uitgezoomd (plangebied globaal met rood aangeduid)

 

Het plangebied omvat (een deel van) de percelen aan de Woestenbergseweg 4, kadastraal bekend als de percelen 1875, 2129, 2130 en 2141, sectie C, gemeente Breda. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 4234 m2. Het plangebied wordt aan de west- en noordzijde begrensd door een perceel dat gebruikt wordt voor agrarisch grondgebruik. De Woestenbergseweg vormt de grens aan de oost- en zuidzijde (figuur 1.2)

 

 [image]

Figuur 1.2 Ligging plangebied (globaal met rood aangeduid)

 

 

1.3 Huidige planologie

 

Bestemmingsplan Buitengebied Nieuw Ginneken

Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nieuw Ginneken’ geldend. Dit bestemmingsplan is op 23 december 1996 vastgesteld door de gemeenteraad van Breda en op 3 juli 1997 door gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedgekeurd.

Het plangebied heeft in dit vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Woondoeleinden’. Binnen de bestemming ‘Woondoeleinden’ is de beoogde functie, zijnde dagopvang en begeleiding van moeilijk opvoedbare jongeren, niet toegestaan. Om de gewenste functiewijziging juridisch-planologisch mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

 

 

1.4 Planvorm

 

Voorliggend bestemmingsplan vormt het planologisch kader voor de functiewijziging op het perceel

Woestenbergseweg 4. Daar dit bestemmingsplan een functieverandering betreft, is sprake van een zogenoemd ontwikkelingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

 

1.5 Leeswijzer

 

Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 'Gebiedsanalyse' een ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied. In hoofdstuk 3 'Beleid' wordt het (relevante) ruimtelijke rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de in het plangebied geplande ontwikkeling. In hoofdstuk 5 'Milieu en landschap' zijn de sectorale milieu- en landschapsaspecten opgenomen. Daarna volgt in hoofdstuk 6 de juridische planbeschrijving. In dit hoofdstuk wordt de wijze van bestemmen uiteengezet en is een toelichting gegeven op de regels van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven. Tot slot is hoofdstuk 8 'Communicatie' gereserveerd voor de uitkomsten van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, evenals een beschrijving van de verdere procedure.

 

 

 

HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse

 

2.1 Inleiding

 

In dit hoofdstuk zijn achtereenvolgens de ruimtelijke structuur en de functionele structuur van het plangebied uiteengezet. De ruimtelijke structuur is beschreven en in beeld gebracht aan de hand van de bebouwingsstructuur en landschappelijke structuur, erfgoed, openbare ruimte en verkeer. In de beschrijving van de functionele structuur is ingegaan op de in en rond het plangebied voorkomende functies.

 

 

2.2 Positionering plangebied

 

Het plangebied aan de Woestenbergseweg 4 ligt in het buitengebied van Breda ten zuiden van het dorp Bavel. Het dorp Bavel ligt aan de oostzijde van de stad Breda en de snelweg A27. Het plangebied ligt redelijk dicht bij het centrum van het dorp, op een afstand van circa 1,2 kilometer. De locatie wordt ontsloten vanaf het kruispunt Roosbergseweg/Gilzeweg. Op korte afstand van het plangebied loopt de Rijksweg A58 Tilburg-Breda. Het plangebied maakt deel uit van het agrarische buitengebied van Bavel.

 

 

2.3 Ruimtelijke structuur

 

2.3.1 Bebouwingsstructuur en landschappelijke structuur

In en rond Bavel ligt een aantal historische bebouwingslinten. De Kerkstraat en Brigidastraat zijn dorpse bebouwingslinten, de Roosbergseweg, Gilzeweg en Eikbergseweg zijn agrarische bebouwingslinten. De dorpse bebouwingslinten worden gekarakteriseerd door een verscheidenheid in bebouwing, terwijl de agrarische linten worden getypeerd door een afwisseling van vrijstaande bebouwing en open ruimte, met doorzichten naar het achtergelegen gebied, zo ook naar het plangebied.

Aan de Roosbergseweg en Gilzeweg staan diverse vrijstaande woningen op afstand van elkaar, waaronder (voormalige) bedrijven en boerderijen. De wegen, waaronder ook de Woestenbergseweg, worden begeleid door laanbeplanting.

 

Plangebied

Het plangebied zelf heeft geen hoge belevingswaarde. Het ligt in het buitengebied en wordt voornamelijk omringd door agrarische percelen. Vanuit het plangebied zijn er doorzichten naar het omringende agrarische landschap. De snelweg A58 ligt op relatief korte afstand.

Op het erf aan de Woestenbergseweg 4 bevinden zich momenteel een woning en een loods.

 

2.3.2 Cultureel erfgoed

Het Bredase erfgoed vormt de basis van de Bredase identiteit en vormt mede de basis van de ruimtelijke ontwikkeling van Breda. In de nota Erfgoedvisie Breda 2008-2013 is dit belang erkent en vastgelegd. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk.

In deze toelichting op het bestemmingsplan wordt het aanwezige cultureel erfgoed (te verdelen in archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed) globaal in beeld gebracht en wordt aangegeven hoe deze waarden beschermd worden.

 

Archeologie

De bewoning rond het plangebied is ontstaan op twee hoge dekzandruggen. Deze kennen we tegenwoordig als de Eikberg en het Kerkeind Bavel. Het landschap daartussen, waar het plangebied deel van uitmaakt, bestaat uit lage dekzandruggen, waaronder die van Bavel, IJpelaar, en overige lage zandgronden van Bavel en omgeving.

Het plangebied is gelegen op de grens van een lage dekzandrug en een lage zandgrond. Omdat dekzandruggen, vanwege de hogere ligging in het landschap, de hoogste kans hebben op het aantreffen van bewoningssporen heeft het plangebied voor het grootste deel een hoge archeologische verwachting op de Beleidsadvieskaart Breda’s Erfgoed, deel 1 Archeologie gekregen (figuur 2.1). Voor een hoge en middelhoge archeologische verwachting geldt de verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voorafgaand aan bodemingrepen van meer dan 100 m2 die de bodem op meer dan 30 centimeter onder maaiveld zullen verstoren.

 

 [image]

 [image]

Figuur 2.1 Uitsnede beleidsadvieskaart Breda’s Erfgoed, deel 1 Archeologie (plangebied globaal zwart omlijnd)

 

Het gemeentelijk beleid en de Monumentenwet 1988, waarin besloten ligt de Wet op de

Archeologische Monumentenzorg 2007, zijn erop gericht de archeologische waarden te beschermen.

Daartoe is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ opgenomen voor de gebieden die conform de 'Beleidsadvieskaart Breda’s Erfgoed, deel 1. Archeologie' zijn gekenmerkt als gebieden met een archeologische verwachting anders dan 'laag'.

Ter plaatse van gronden met een dubbelbestemming dient voorafgaand aan ontwikkelingen waar een ingreep plaatsvindt die dieper gaat dan 0,30 meter beneden maaiveld en een planoppervlak behelst van 100 m2 of meer een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het archeologisch onderzoek worden door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. Echter, de voorgenomen ontwikkeling betreft uitsluitend een functiewijziging van een deel van het perceel waarbij de grond niet geroerd wordt (dieper dan 30 cm en meer dan 100 m2). Ten behoeve van deze voorgenomen functiewijziging is in het kader van dit bestemmingsplan daarom geen archeologisch onderzoek nodig.

 

Historische geografie

In het plangebied bevinden zich geen historisch geografisch waardevolle (te behouden) elementen.

 

Gebouwd erfgoed

Het erfgoedbeleid van de gemeente Breda richt zich naast behoud van beschermde monumenten op het behoud van andere cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. In het plangebied bevindt zich geen gebouwd erfgoed. Derhalve is het opnemen van een dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie' niet nodig.

 

2.3.3 Groen

De omgeving rond het plangebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van open en gesloten gebieden. De Woestenbergseweg wordt begeleid door laanbeplanting. Binnen het plangebied is erfbeplanting aanwezig, onder andere bestaande uit een groot aantal bomen. Gestreefd wordt de bomen zoveel mogelijk te behouden.

 

2.3.4 Verkeer

Het plangebied wordt middels de bestaande Woestenbergseweg ontsloten op de Roosbergseweg/Gilzeweg. Op de Woestenbergseweg geldt ter plaatse van de projectlocatie een maximum snelheid van 60 km/u.

 

 

2.4 Functionele structuur

 

Op de betreffende percelen gelegen aan de Woestenbergseweg 4 wordt momenteel gewoond. In de omgeving van het plangebied overheerst op dit moment het agrarische gebruik en wordt daarbij gewoond. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het gebruik op de betreffende percelen gewijzigd ten behoeve van een maatschappelijke functie met bijbehorende bedrijfswoning.

HOOFDSTUK 3 Beleid

 

 

3.1 Inleiding

 

De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante ruimtelijke beleid samengevat.

 

 

3.2 Rijksbeleid

 

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (hierna: SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Zo beschrijft het kabinet in de SVIR in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Het Rijk geeft daarbij meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geeft ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling.

 

In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn).

De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk “concurrerend, bereikbaar en leefbaar&veilig”. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelstellingen en 13 nationale belangen zijn:

 

  1. Concurrerend = Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economisch structuur van Nederland. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd:

  • Nationaal belang 1:

een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren;

  • Nationaal belang 2:

ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;

  • Nationaal belang 3:

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;

  • Nationaal belang 4:

Efficiënt gebruik van de ondergrond.

 

  1. Bereikbaar = Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd:

  • Nationaal belang 5:

Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen;

  • Nationaal belang 6:

Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor- en vaarweg;

  • Nationaal belang 7:

Het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor- en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.

 

  1. Leefbaar & veilig = Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn:

  • Nationaal belang 8:

Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s;

  • Nationaal belang 9:

Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling;

  • Nationaal belang 10:

Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;

  • Nationaal belang 11:

Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;

  • Nationaal belang 12:

Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.

 

De rijksverantwoordelijkheid voor het systeem van goede ruimtelijke ordening is zonder hoofddoelstelling, als afzonderlijk belang opgenomen:

  • Nationaal belang 13:

Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

 

Naast de drie hoofddoelen wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid.

Bovendien worden nieuwe activiteiten altijd zoveel mogelijk geconcentreerd in het bestaand bebouwd gebied, aansluitend op bestaand bebouwd gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten.

 

Een groot deel van deze belangen is juridisch geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) (paragraaf 3.2.2).

 

Plangebied

Het onderhavige plan maakt voor het perceel een functiewijziging mogelijk naar een maatschappelijke voorziening, zijnde dagbestedingsactiviteiten, en daarnaast wordt de bijbehorende burgerwoning omgezet naar een bedrijfswoning.

 

Middels de bestemmingen 'Natuur' en de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' wordt het behoud en versterking van cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten gewaarborgd.

 

In het plangebied worden geen nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is derhalve niet aan de orde. Daarnaast is onderhavig plangebied niet gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur. Het perceel ligt wel binnen het obstakelbeheergebied van het vliegveld Gilze-Rijen, maar omdat het uitsluitend een functiewijziging betreft, heeft dit geen gevolgen voor het obstakelbeheergebied. In de volgende paragraaf is dit verder uitgewerkt.

 

Met voorgenomen bestemmingsplan zijn geen nationale belangen in het geding en het bestemmingsplan is dus in lijn met de Structuurvisie.

 

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn in het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (1 oktober 2012) geborgd. In het Barro is een aantal projecten die van rijksbelang zijn, genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project zijn vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt, zijn:

  1. de mainportontwikkeling van Rotterdam;

  2. de bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren;

  3. de bescherming en behoud van de Waddenzee;

  4. de bescherming en behoud van enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam;

  5. de uitoefening van defensietaken;

  6. veiligheid rond rijksvaarwegen;

  7. toekomstige uitbreiding van hoofd(spoor)wegennet;

  8. de elektriciteitsvoorziening;

  9. de ecologische hoofdstructuur (EHS);

  10. de veiligheid en bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament;

  11. toekomstige rivierverruiming langs de Maas;

  12. verstedelijking in het IJsselmeer;

  13. duurzame verstedelijking.

 

Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de SVIR (paragraaf 3.2.1). Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en vermindering van de bestuurlijke drukte. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad kunnen leiden tot een versnelde uitvoering van die projecten.

 

Daar staat tegenover dat gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakt aan een belang van één van de projecten in het Barro, nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten checken. Gebeurt dat niet, dan bestaat het risico op een reactieve aanwijzing van Gedeputeerde Staten of van de Minister. Het effect daarvan is dat bepaalde onderdelen van het bestemmingsplan niet in werking treden.

 

Plangebied

Uitoefening van defensietaken

Voor het plangebied geldt dat in het Barro regels zijn opgenomen inzake de uitoefening van defensietaken. Het plangebied ligt namelijk in het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen (figuur 3.1).

 

 [image]

 [image]

Figuur 3.1 Obstakelbeheergebied militair luchtvaartterrein - vliegbasis Gilze-Rijen [uit: Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, bijlage 3.6]

 

Een obstakelbeheergebied kenmerkt zich door – gezien vanuit het vliegveld – een aantal vlakken waarvan de hoogte oploopt met het toenemen van de afstand tot het luchtvaartterrein. Het obstakelbeheergebied bepaalt tot welke hoogte gebouwen en bouwwerken gebouwd mogen worden. Dit is ter voorkoming van gevaar voor het vliegverkeer rond de luchthaven ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. De obstakelvrije zone rondom het vliegveld Gilze-Rijen is opgebouwd uit drie componenten:

 

  • Invliegfunnel:

Dit zijn de start- en landingsvlakken met zijkanten, die zijn vastgesteld in het verlengde van de start- en landingsbaan. Hiervoor gelden hoogtebeperkingen als het gaat om het oprichten van hoge obstakels. De invliegfunnel loopt echter niet over het plangebied.

 

  • Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS):

Het IHCS heeft tot doel vliegtuigen die in het circuit vliegen (circuitverkeer), voorafgaand aan de landing, te beschermen tegen hoge objecten. Dit is uitgewerkt in een zogenaamde 'pannenkoek', een ovaalvormige zone rondom de gehele luchthaven met een straal van circa 4 km rond de landingsbaan, waarin de maximale bouwhoogte maximaal 56 meter (vanaf NAP) bedraagt en dat overgaat in een conisch vlak met een helling van 5% over een afstand van 2 km. Dit gebied is vastgesteld ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid.

Voor het plangebied geldt een maximale bebouwingshoogte ten aanzien van het conisch vlak van zo'n 120 meter boven NAP.

 

  • Instrument Landing System (ILS)

Vliegbasis Gilze-Rijen beschikt over een 'Instrument Landing System' (ILS). Het ILS is bedoeld voor het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen door vliegverkeer, ook onder slechte weersomstandigheden. Voor het goed functioneren van het ILS is het noodzakelijk dat in een gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt. Objecten, vast (gebouwen, windmolens, bomen, etc) en mobiel (bouwkranen, heistellingen, etc) vormen in potentie een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur, omdat ze de uitgezonden radiosignalen kunnen verstoren. Het verstoringsgebied bestaat uit meerdere vlakken met daarbij behorende hoogtes, zowel horizontaal als oplopend. Onderhavig plangebied is gelegen in het oplopende gebied met een maximaal toelaatbare bouwhoogte van 75 meter boven NAP.

Aangezien in het plangebied geen bouwwerken hoger dan 75 meter voorkomen of mogelijk worden gemaakt, heeft het ILS geen consequenties voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

 

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Barro is ook het nationaal belang, 'ladder voor duurzame verstedelijking', opgenomen. Doel van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.

Allereerst dient bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling de vraag beantwoord te worden of er een regionale behoefte is (trede 1). Zo ja, dan dient bekeken te worden of deze behoefte op te vangen is binnen het bestaand stedelijk gebied (trede 2). Zo ja, dan is de beantwoording klaar. Zo nee, dan dient een locatie gezocht te worden die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte (trede 3).

 

In dit geval betreft het een functiewijziging (toestaan van kleinschalige dagbestedingsactiviteiten in de bestaande bebouwing plus een bedrijfswoning in plaats van alleen een woning) op een bestaande locatie. Derhalve is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die conform de 'ladder' gemotiveerd moet worden.

 

Conclusie

Gezien de maximale toegestane hoogtematen in het plangebied is voorliggend bestemmingsplan niet in strijd met het nationale belang 'uitoefening van defensietaken'.

 

Daarnaast geldt dat in het plangebied geen nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Een toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is derhalve niet aan de orde. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur.

 

Verder worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavig bestemmingsplan is dus in overeenstemming met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

 

 

 

 

 

 

 

3.3 Provinciaal beleid

 

3.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening

In de 'Structuurvisie 2010-partiële herziening 2014' (1 januari 2011 in werking getreden en op 7 februari 2014 partiël herzien) is het beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in Brabant op hoofdlijnen uiteengezet.

De Structuurvisie geeft de samenhang weer tussen het beleid op het gebied van milieu, verkeer en vervoer en water. Daarnaast houdt de Structuurvisie ruimtelijke ordening rekening met het provinciaal beleid op economisch, sociaal-cultureel en ecologisch vlak. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. Er gaat geen directe werking uit richting gemeentelijke besluitvorming. De Verordening ruimte (paragraaf 3.3.2) heeft wel een doorwerking naar gemeentelijke besluitvorming.

 

De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. De vier structuren zijn:

  • de groenblauwe structuur;

  • het landelijk gebied;

  • de stedelijke structuur;

  • de infrastructuur.

 

Plangebied

Het perceel Woestenbergseweg 4 ligt in het landelijk gebied, specifiek in het 'gemengd landelijk gebied' (figuur 3.2). Ook is het gebied, als onderdeel van de stedelijke structuur, aangeduid als 'zoekgebied voor verstedelijking'. Dit laatste met het oog op de (toekomstige) ontwikkeling van bedrijventerrein Bavel Zuid (zie paragraaf 3.4.1).

 

 [image]

 [image]

Figuur 3.2 Uitsnede structurenkaart Structuurvisie 2010-partiële herziening 2014' (plangebied is globaal met rood omcirkeld) [bron: www.brabant.nl]

 

De provincie ziet het 'landelijk gebied' als een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Hierbij zijn land- en tuinbouw de grootste ruimtegebruikers. Het plangebied heeft in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening het perspectief van het 'gemengd landelijk gebied' meegekregen. Dit is een gebied waarbinnen verschillende functies in evenwicht met elkaar worden ontwikkeld. Daarbij geldt dat het plangebied ligt in het gebied waar een 'gemengde plattelandseconomie' van toepassing is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etcetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties.

 

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten voor een 'gemengde plattelandseconomie'. In de Verordening ruimte is dit verder uitgewerkt.

 

3.3.2 Verordening ruimte

De 'Verordening ruimte 2014' (vastgesteld op 7 februari 2014 en per 19 maart 2014 in werking, hierna: Verordening) is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de Verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal en rijksbeleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen.

 

In de Verordening staat de zorg voor de ruimtelijke kwaliteit centraal. De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in de Verordening vertaald aan de hand van de vier concrete ruimtelijke structuren uit de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen en kiest de provincie voor een bepaalde ordening van functies. De regels in de Verordening gelden voor gemeenten en niet rechtstreeks voor burgers. Belangrijke onderwerpen in de Verordening zijn:

  • ruimtelijke kwaliteit;

  • stedelijke ontwikkelingen;

  • natuurgebieden en andere gebieden met waarden;

  • agrarische ontwikkelingen, waaronder de intensieve veehouderij;

  • overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

 

Van oudsher heeft de provincie een rol in de bescherming van ruimtelijke waarden en kenmerken.

Naast bescherming wil de provincie ook ontwikkelingsruimte bieden in het buitengebied, mits een dergelijke ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals

agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de

ontwikkeling van niet-agrarische functies is onder voorwaarden mogelijk. Gebiedskenmerken en bijbehorende waarden zijn leidend bij de vraag ‘waar’ en ‘hoe’ de nieuwe ruimte wordt aangesneden. Ruimtelijke kwaliteit houdt in dat ruimtevragers rekening houden met de gebiedskenmerken en waarden. Daarnaast moet een ruimtelijke ontwikkeling passen bij de aard, schaal en functie van haar omgeving.

 

Zorgvuldig ruimtegebruik

De provincie vraagt gemeenten om bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen. Dat betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik van bestaand bebouwd gebied. Nieuw ruimtebeslag moet zo veel mogelijk voorkomen worden. In het buitengebied is volgens de provincie voldoende ruimte voor hergebruik, als gevolg van de verwachting dat een aanzienlijk deel van de agrarische bedrijven in de nabije toekomst hun bedrijfsvoering beëindigen.

 

Plangebied

De Verordening is ingedeeld in verschillende hoofdstukken, waaronder 'structuren' en 'aanduidingen'. Hieronder is deze verdeling aangehouden bij de onderbouwing van voorgenomen ontwikkeling.

 

Structuren

Het plangebied ligt geheel buiten het bestaand stedelijk gebied en is aangeduid als 'gemengd landelijk gebied' (figuur 3.3). Een 'gemengd landelijk gebied' is een gebied waarbinnen verschillende functies in evenwicht met elkaar worden ontwikkeld.

 

 [image]

 [image]

Figuur 3.3 Uitsnede Verordening ruimte 2014, kaart 'structuren' (plangebied is globaal met rood omcirkeld) [bron: www.brabant.nl]

 

Niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied

Voor een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, zoals het verzoek betreft (een functiewijziging ten behoeve van het uitvoeren van dagbestedingsactiviteiten naast de reeds bestaande woning), is in de Verordening een specifieke regeling opgenomen (artikel 7.10 van de Verordening).

Daarnaast zijn voor het voorgenomen verzoek ook de 'afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen' van toepassing (artikel 7.14 van de Verordening). Dit houdt in dat een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied, kan voorzien in een horecabedrijf of een maatschappelijke voorziening, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 1,5 hectare en niet leidt tot een grootschalige voorziening.

 

Vertaling in bestemmingsplan

De voorgenomen dagbestedingsactiviteiten hebben een relatief kleinschalig karakter (circa 10 cliënten). Er is dus geen sprake van een grootschalige (maatschappelijk) voorziening.

Daarbij hebben de percelen van het plangebied een totale oppervlakte van circa 4200 m2. Het plan voldoet daarmee aan de voorwaarde dat het bestemmingsvlak een omvang van maximaal 1,5 hectare mag hebben. De activiteiten betreffen met name activiteiten die buiten verricht worden (landbewerking, tuinieren, sporten in de bossen, etc.), waardoor met name een locatie in het buitengebied wenselijk en zelfs noodzakelijk is. De voorgenomen functiewijziging van het perceel ten behoeve van een maatschappelijke voorziening is dus passend binnen de regels van de Verordening.

 

Aanduidingen

Stedelijke ontwikkeling:

Verder geldt voor het plangebied de aanduiding ‘Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling (stedelijk concentratiegebied)’ (figuur 3.4).

 

 [image]

 [image]

Figuur 3.4 Uitsnede Verordening ruimte 2014, kaart 'stedelijke ontwikkeling' (plangebied is globaal met rood omcirkeld) [bron: www.brabant.nl]

 

Het 'zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling' is opgenomen voor dit gebied vanwege de ontwikkeling van bedrijventerrein Bavel Zuid, waarvoor een paar jaar geleden het betreffende perceel Woestenbergseweg 4 is aangekocht (zie ook paragraaf 3.4.1). Sindsdien is het pand tijdelijk beheerd. In de Structuurvisie Breda 2030 is Bavel Zuid aangemerkt als strategische reservelocatie voor de realisatie van bedrijventerreinen (maximaal 35 hectare netto) in de periode na 2030 of eerder indien nodig. Met de ontwikkeling van Bavel-Zuid kan pas worden gestart als er geen nieuwe bedrijvenlocaties meer beschikbaar zijn, er geen mogelijkheden meer zijn voor herstructurering en revitalisering van bestaande terreinen of de marktomstandigheden aanleiding geven tot heroverweging. De betreffende locatie kan dus tot die tijd voor andere doeleinden verhuurd worden, zoals ten behoeve van de voorgenomen functiewijziging, zijnde het aanbieden van dagbestedingsactiviteiten. Indien de locatie nodig is om in de toekomst het bedrijventerrein Bavel Zuid te ontwikkelen, zal de voorgenomen functie, zijnde dagbestedingsactiviteiten, eindigen. Privaatrechtelijk wordt dit als zodanig afgesproken.

 

Agrarische ontwikkeling:

Het plangebied ligt eveneens in een gebied met de aanduiding 'beperkingen veehouderij'. Dit betekent dat een bestemmingsplan bepaalt dat uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet is toegestaan (artikel 25 van de Verordening). In de betreffende bestemming is een veehouderij überhaupt niet mogelijk. Derhalve wordt voldaan aan de regels in de Verordening.

 [image]

 [image]

Figuur 3.5 Uitsnede Verordening ruimte 2014, kaart 'agrarische ontwikkeling' (plangebied is globaal met rood omcirkeld) [bron: www.brabant.nl]

 

Natuur en landschap, water, cultuurhistorie:

Het plangebied ligt verder niet in of in de nabijheid van een gebied waar specifieke regels gelden ten aanzien natuur en landschap (bv ecologische hoofdstructuur), water (bv waterbergingsgebieden) en cultuurhistorie (bijvoorbeeld aardkundig waardevol gebied).

 

Kwaliteitsverbetering van het landschap

In artikel 3.2 van de Verordening is een bepaling opgenomen over de verplichte 'kwaliteitsverbetering van het landschap'. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke

verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap,

cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.

De initiatiefnemer zorgt voor een investering in het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. In principe wordt hierbij uitgegaan van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de storting van een bijdrage in een gemeentelijk groenfonds een alternatief. Regionaal is in overleg met de provincie een handreiking opgesteld die via het regionaal ruimtelijk overleg is vastgesteld.

Deze regeling voor kwaliteitsverbetering van het landschap is zo opgezet dat de gemeente zelf nader vorm kan geven aan de regeling uiteraard met inachtneming van hetgeen hierover regionaal is afgesproken. Dit betekent daarnaast ook dat een bestemmingsplan de nodige ruimtelijke randvoorwaarden dient te bevatten ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. In regionaal verband zijn er inmiddels afspraken gemaakt over hoe invulling gegeven kan worden aan deze regeling uit de Verordening. Deze regionale regeling is in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) akkoord bevonden.

Aangezien onderhavig bestemmingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten bestaand stedelijk gebied, wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van het landschap volgens de Landschapsinvesteringsregeling Breda (zie bijlage 1 van de planregels). De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt door de initiatiefnemer, in dit geval de gemeente, op de locatie aangelegd. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing en landschapsverbetering wordt een deel van het perceel voor natuur ingericht. In hoofdstuk 4 wordt hier nader op ingegaan. Middels de bestemming 'Natuur' en de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' wordt het behoud en versterking van cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten op die manier voldoende gewaarborgd.

Gelet op het voorgaande draagt het bestemmingsplan dus zorg voor een goede landschappelijke inpassing in het omringende gebied.

 

Conclusie

Voorgenomen functiewijziging past binnen de regels van de Verordening en is derhalve niet in strijd met een provinciaal belang.

 

 

 

 

 

3.4 Gemeentelijk beleid

 

3.4.1 Structuurvisie Breda 2030, Keuzes maken in een dynamische tijd

De 'Structuurvisie Breda 2030' (vastgesteld door de raad op 26 september 2013) geeft de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weer en biedt een afwegingskader voor de stedelijke programmering. De Structuurvisie beoogt een stip op de horizon te zetten waar het gaat om de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Breda tot 2030. Daarnaast is de visie richtinggevend voor de keuzen die aan de orde zijn voor de korte en middellange termijn. De structuurvisie dient als integrale basis voor bestemmingsplannen, ontwikkelingsvisies en beleidsdocumenten. Deze structuurvisie:

  • geeft nadrukkelijk inhoud aan het economisch profiel van de stad in de regio (internationaal, nationaal, provinciaal, regionaal);

  • belicht de sociale dimensie van de ontwikkeling van de stad in relatie tot een reeks van opgaven als de vergrijzing, de betaalbaarheid van de zorg, het groeiend aantal arbeidsmigranten, een groeiende studentenpopulatie, de decentralisatie van een aantal rijkstaken, etc.;

  • zet inbreiding/ hergebruik van de stad, met de nodige implicaties voor functie en gebruik van het publieke domein en maatschappelijk vastgoed centraal;

  • presenteert stad, dorpen en buitengebied als een samenhangende kwaliteit, elk met een eigen identiteit en dynamiek;

  • zet de kwaliteit van de bestaande stad centraal;

  • geeft aan dat de bestaande infrastructuur op korte termijn niet meer afdoende is om de stad bereikbaar te houden en verdere (her)ontwikkeling mogelijk te maken;

  • legt de nadruk op de vraaggerichte benadering in plaats van de aanbodgerichte benadering;

  • onderstreept het belang van een geleidelijke energietransitie en de gevolgen van de verandering van het klimaat;

  • maakt de programmering structureel onderdeel van de ordening van de stad;

  • geeft een uitvoeringsperspectief dat inzicht biedt in de financiële opgave op de langere termijn, wat vertaald wordt in een meerjaren investeringsplan voor de middellange termijn.

 

Het fundament voor de ontwikkeling van Breda naar 2030 is het ontwikkelen van een compacte, duurzame stad, waarin ruimte is voor initiatief. De compacte stad koestert haar historie en beseft de verbondenheid van stedelijk en landelijk gebied. Verstedelijkingsopgaven in het bestaande stedelijk gebied hebben de voorkeur boven de ontwikkeling van nieuwe buitenstedelijke terreinen. De kracht van het initiatief staat centraal, burgers, bedrijfsleven en overheid hebben hier allemaal een rol in. De verschillen in functie en karakter van delen van de stad maken Breda aantrekkelijk voor de diversiteit aan gebruikers.

 

Plangebied

De gemeente Breda heeft in 2005 het perceel Woestenbergseweg 4 aangekocht ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling van bedrijventerrein Bavel-Zuid. Sindsdien is het pand tijdelijk beheerd. In de Structuurvisie is Bavel-Zuid aangemerkt als strategische reservelocatie voor de realisatie van bedrijventerreinen (maximaal 35 hectare netto) in de periode na 2020. Met de ontwikkeling van Bavel-Zuid kan pas worden gestart als er geen nieuwe bedrijvenlocaties meer beschikbaar zijn, er geen mogelijkheden meer zijn voor herstructurering en revitalisering van bestaande terreinen of de marktomstandigheden aanleiding geven tot heroverweging.

De betreffende locatie kan dus tot die tijd voor andere doeleinden verhuurd worden, zoals ten behoeve van de voorgenomen functiewijziging, zijnde het aanbieden van dagbestedingsactiviteiten.

 

Voor wat betreft 'zorg' streeft de gemeente er naar om in de toekomst kwetsbare mensen in de eigen omgeving en in het eigen sociale netwerk te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen zelf bepalen hoe hun vorm van zorg er uit ziet. Hierbij geldt dat ondersteuning zoveel mogelijk georganiseerd wordt in de omgeving van mensen en met gebruikmaking van voorzieningen die daar zijn.

De voorgenomen ontwikkeling voor het aanbieden van dagbesteding op deze locatie past in dit uitgangspunt van de gemeente.

 

Vanuit de gemeente is ook gekeken hoe de te huisvesten doelgroep zich verhoudt tot de doelgroep voor het project ‘Stedelijk Kompas’. Voor deze doelgroep (o.a. thuis- en daklozen) is de gemeente namelijk verantwoordelijk voor de huisvesting, voor andere doelgroepen niet. Voorgenomen ontwikkeling betreft een ander doelgroep dan ‘Stedelijk Kompas’. De gemeente stelt geen extra eisen aan de huisvesting.

 

HOOFDSTUK 4 Planbeschrijving

 

4.1 Inleiding

 

De doelstelling van het onderhavige bestemmingsplan is het bieden van een passende juridisch-planologische regeling waarbij:

  • de huidige bestemming van het perceel Woestenbergseweg 4 wijzigt naar de bestemming 'Maatschappelijk' waarbij ook de bestaande bedrijfswoning is toegestaan;

  • een deel van het perceel ingericht wordt als natuur ten behoeve van een landschappelijke kwaliteitsverbetering.

 

 

4.2 Planbeschrijving

 

Initiatiefnemer (Ariba dagbesteding) wil het betreffende perceel met bijbehorende opstallen huren om actieve dagbestedingsactiviteiten op werkdagen (maandag tot en met vrijdag van 9 tot 16 uur) aan te bieden aan volwassenen met een licht verstandelijk beperking en/of psychische klachten. Met deze activiteiten wordt een zinvolle en gestructureerde daginvulling gegeven aan genoemde cliënten. Op die manier wordt voorzien in een gezond dag- en nachtritme. De werkzaamheden die aangeboden worden, zijn onder andere hout zagen en bewerken, houten meubelen opknappen, moestuin onderhouden, productiewerk en dierenverzorging. Ariba dagbesteding wil tweemaal in de week een sport-/bewegingsmoment aanbieden, bijvoorbeeld wandelingen in de bossen of mountainbike tochten. De werkzaamheden sluiten zo goed mogelijk aan bij de mogelijkheden en interesse van de cliënt. Daarbij wordt gekeken of de eigen mogelijkheden van de cliënt kunnen worden ontwikkeld en/of in stand worden gehouden. De nadruk ligt bij de werkzaamheden op:

  • het hebben van een zinvolle dagbesteding;

  • werken in een positieve sfeer;

  • voldoening halen uit de werkzaamheden;

  • samenwerken;

  • het verkrijgen van een dagritme;

  • werkervaring opdoen;

  • sociale contacten opdoen.

 

Er vinden uitsluitend dagbestedingsactiviteiten plaats. Nachtverblijf c.q. -opvang voor cliënten is niet toegestaan.

 

De dagopvang vindt plaats in de loodsen of buiten op het erf. Het worden kleine groepen zodat alle cliënten maximale zorg en aandacht krijgen. Dit betekent maximaal vijf cliënten op één begeleider. Aangezien er twee begeleiders zijn, betekent dit dat maximaal 10 cliënten op de betreffende locatie terecht kunnen.

 

Voorliggend bestemmingsplan laat op het perceel dagbestedingsactiviteiten toe voor volwassenen met een beperking, evenals één bestaande bedrijfswoning waar initiatiefnemer met zijn gezin gaat wonen.

De bestaande woning mag niet groter worden dan 750 m³. Voor deze bedrijfswoning wordt namelijk geen extra investering/afdracht gedaan ten behoeve van landschapsverbetering.

 

 

4.3 Kwaliteitsverbetering

 

De planologische motivering voor de kleinschalige functiewijziging aan de Woestenbergseweg 4 wordt gevonden in het toepassen van artikel 3.4 ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. In dit artikel staat dat de initiatiefnemer bij ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet zorgdragen voor een investering in het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving, zoals een landschappelijke inpassing van de bebouwing en bestemmingsvlakken of de aanleg c.q. herstel van natuur- en landschapselementen ter versterking van de landschapsstructuur. Een uitwerking van de 'landschappelijke inpassing' is opgenomen in de Landschapsinvesteringsregeling Breda (zie bijlage 1 van de toelichting). Indien realisering van een fysieke prestatie op locatie of in de directe omgeving niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds en de storting van een bijdrage hierin door de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling een optie. Daarnaast kan de kwaliteitsverbetering bestaan uit sloop van bijgebouwen, wegnemen verhardingen, opknappen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, etc. De regeling voor kwaliteitsverbetering van het landschap is zo opgezet dat de gemeente zelf nader vorm kan geven aan de regeling. Dit betekent dat een bestemmingsplan de nodige ruimtelijke randvoorwaarden dient te bevatten ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen zodat de kwaliteitsverbetering ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

 

Locatie Woestenbergseweg 4

Voorliggend bestemmingsplan in het buitengebied van Bavel, maakt het mogelijk het betreffende perceel om te zetten naar de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Natuur'. Door de herbestemming vindt een waardestijging en/of –vermindering van het huidige erf plaats:

  • mogelijk maken functiewijziging ten behoeve van dagbestedingsactiviteiten;

  • het mogelijk maken van één extra schuur/loods ten behoeve van de dagbestedingsactiviteiten;

  • omzetten deel van het erf naar natuur (tbv landschappelijke inpassing / eisen ten aanzien van kwaliteitsverbetering landschap).

 

 [image]

Figuur 4.1 Nieuwe oppervlakten bestemmingsvlakken (groen=natuurstrook, oranjeroze=maatschappelijk)

 

Grenzend aan het perceel ligt aan de zuidzijde een landschappelijk waardevolle laanbeplanting. Aan de westzijde van de locatie is reeds een 'dunne' houtwal aanwezig welke haaks gelegen is op de laan. Een kwaliteitsverbetering van het landschap kan derhalve gezocht worden in het versterken en uitbreiden van deze westelijk gelegen houtwal.

 

Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is, conform de Landschapsinvesteringsregeling Breda, een berekening gemaakt wat de vereiste kwaliteitsverbetering (in oppervlakte en euro's) moet zijn.

Rekening houdend met een waardestijging van het perceel door het wijzigen van de bestemming naar 'Maatschappelijk' en het afwaarderen van een deel van de gronden naar de bestemming 'Natuur', bedraagt de totale waardestijging van het plan Woestenbergseweg 4 circa € 22.500,-.

Daarmee is de benodigde waarde van de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap gesteld op € 4.500,- (categorie 3: 20% van € 22.500,-).

 

Dit leidt tot de keuze tot het uitbreiden van de bestaande houtwal aan de westzijde op de planlocatie ter grootte van ruim 600 m2. De houtwal wordt juridisch-planologisch verankerd in dit bestemmingsplan middels de bestemming 'Natuur'. De eigenaar van de grond, in dit geval de gemeente Breda, zal de houtwal aanleggen en bekostigen. De kosten voor de aanleg en het onderhoud van deze oppervlakte houtwal zijn geraamd op circa €6.000,-. Dit betekent dat circa €1.500,- meer wordt geïnvesteerd in het landschap dan formeel nodig is.

In bijlage 1 van de toelichting is een plantadvies en een plantlijst toegevoegd die voldoet aan de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Breda. Hierbij is uitgangspunt dat de huidige populierengroep met onderbeplanting behouden dient te blijven, er geen nieuwe boomvormers mogen worden toegevoegd en dat de huidige ligusteropstand vervangen, vergroot, verbeterd en versterkt dient te worden door meer diversiteit en soortmenging toe te voegen en door uitbreiding van de houtopstand tot ruim 600 m2. Er mogen uitsluitend heesters worden toegevoegd.

Derhalve wordt voldaan aan de Verordening ruimte en de Landschapsinvesteringsregeling Breda inzake de kwaliteitsverbetering van het landschap.

 

HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap

 

5.1 Inleiding

 

Breda wil een stad zijn waarin mensen graag wonen, werken en recreëren. Leefbaarheid en duurzaamheid zijn hiervoor sleutelbegrippen. Een gezond en veilig woonmilieu is hierbij van groot belang. Daarnaast hebben bedrijven ruimte nodig om zich te ontwikkelen en dient er voldoende groen te zijn voor natuurontwikkeling en recreatie. Om dit te kunnen bereiken, dient bij ruimtelijke ontwikkelingen integraal naar het te ontwikkelen gebied te worden gekeken en zullen alle, soms tegenstrijdige, belangen zo goed mogelijk op elkaar af gestemd moeten worden.

 

Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbaar en duurzaam Breda dienen bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de milieuhygiënische aspecten die door het plangebied en of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld.

 

Het perceel is gelegen aan de zuidzijde van Bavel en ligt in de directe nabijheid van de Rijkswegen A58 en A27. De belangrijkste overwegingen in het kader van milieu hebben betrekking op deze wegen. In onderstaand hoofdstuk worden de verschillende milieuhygiënische aspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.

 

 

5.2 Milieueffectrapportage

 

Vanaf 1987 is het in Nederland wettelijk verplicht om voor bepaalde activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, de zogenoemde procedure voor de milieueffectrapportage, kortweg de m.e.r.- procedure, te doorlopen. In het Besluit m.e.r. bijlage C en D staat een opsomming van activiteiten die mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Indien de activiteit (kolom 1) de genoemde drempelwaarde (kolom 2) overschrijdt, geldt voor de in kolom 3 en/of 4 genoemde plannen en/of besluiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht.

 

Op basis van de genoemde C- en D-lijst zijn de maatregelen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet m.e.r-plichtig. Ten aanzien van de m.e.r.-beoordelingsplicht ligt deze afweging als gevolg van een uitspraak van het Europees Hof van Justitie gecompliceerder. Om risico's ten aanzien van de voortgang van het project te voorkomen is uitgebreider gekeken of m.e.r.-plicht voor dit project aan de orde is. Daarbij is, mede gezien de uitspraak van het Europees Hof, een aanpak gekozen zoals die wordt toegepast indien wel sprake is van m.e.r.-beoordelingsplicht.

 

Deze aanpak houdt in dat de mogelijke effecten van ontwikkeling (parkeerplaatsen, verkeersstromen en milieuzonering) op het milieu zijn afgewogen. Uit de afweging blijkt dat de effecten van de maatregelen voor de geluidsbelasting, milieuzonering en de natuur niet of minimaal aanwezig zijn. Voor de normen voor luchtkwaliteit, geldt dat deze als gevolg van de maatregelen niet overschreden worden. Verder zijn er geen andere milieuaspecten waarop eventuele nadelige effecten verwacht kunnen worden. In de navolgende paragrafen wordt nader ingegaan op de toetsing van het plan aan de milieuaspecten.

 

Kijkend naar de C- en D-lijst en naar de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten die bij de oplossingsrichtingen worden verwacht, wordt gesteld dat het doorlopen van de m.e.r.-procedure en het opstellen van een MER voor de besluitvorming niet nodig is. Ook een eventuele plan-m.e.r.-plicht vanwege de ligging van Natura2000 gebieden is vanwege de maatregelen, bestaande uit een kleinschalige functiewijziging, ver (bijna 1500 meter) buiten het Natura2000-gebied en de gewogen effecten, niet aan de orde (zie paragraaf 5.5). Om die reden is voor dit project geen m.e.r.-procedure doorlopen.

 

Conclusie

Het uitvoeren van een milieueffect rapportage is voor dit plan niet aan de orde.

 

 

5.3 Bodem

 

Algemeen

De algemene doelstelling van het Rijk is dat in 2030 alle ernstige verontreinigingen van de (water)bodem zijn gesaneerd en/of onder controle zijn.

Door het (industriële) verleden van Breda, kunnen er lokaal in meer of minder mate verontreinigingen aanwezig zijn. De gemeente Breda heeft de betreffende lokaties geinventariseerd en combineert deze informatie met de vele bodemonderzoeken die zijn of worden uitgevoerd bij bijvoorbeeld bouw, aan/verkoop en grondverzet. Al deze zaken zijn bij de gemeente beschikbaar in bodeminformatiesystemen en worden gebruikt bij beoordelingen en advisering. Lokaties met daarop een zogeheten wettelijke beoordeling (beschikking) zijn bovendien kadastraal geregistreerd.

 

De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico’s voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico’s te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico’s (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten “ernstige vervuilingen” in meer of minder mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie.

 

Wet- en regelgeving

Om kansen te benutten en problemen te voorkomen, is het van belang dat er bij (ver)bouw en ontwikkelingen tijdig kennis is van de bodemkwaliteit. De gemeente bewaakt dit door in voorkomende gevallen een bodemonderzoek uit te voeren of te verlangen. De uitkomsten hiervan toetst de gemeente aan de regels die gesteld zijn in de Wet bodembescherming (Wbb). Op basis van deze wet, landelijke circulaires en het Bredase bodembeleid wordt bepaald waaraan de kwaliteit van de bodem wordt getoetst en of er maatregelen (bv beheer of sanering) nodig zijn. De uiteindelijke bodemkwaliteit moet voldoen aan de functie.

 

Grondverzet moet overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit geschieden. Als gevolg van dit Besluit, heeft de gemeente Breda op basis van lokaal geldende bodemkwaliteiten een Bodemkwaliteits- en functiekaart vastgesteld. Op deze bodemfunctiekaart is de gemeente ingedeeld in de functies ‘wonen’, ‘industrie’ en ‘niet ingedeeld’. De kwaliteit van de grond die op een locatie wordt gebruikt moet voldoen aan de vastgelegde functie en bodemkwaliteit. Het gaat hierbij om de ‘natuurlijke’ achtergrondkwaliteit, verontreinigde lokaties zijn van deze kaart uitgesloten. Hiervoor geldt het gebruikelijke onderzoeks- en saneringstraject.

 

Plangebied

Het betreft een gebied waar plaatselijk verontreinigingen aanwezig kunnen zijn ten gevolge van activiteiten uit het verleden. Hierbij kan gedacht worden aan kleinschalige agrarische bedrijfsactiviteiten, maar ook aan huisbrandolietanks. De ontwikkeling hoeft hierdoor niet beperkt te worden. In de omgevingsvergunning is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk, waaruit moet blijken wat de kwaliteit van de grond is. Eventueel kan dit beperkingen opleveren ten aanzien van gebruik. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat het realiseren van een moestuin door aanwezige verontreinigingen niet veilig is.

 

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling hoeft niet beperkt te worden door het aspect 'bodem'. In het kader van de omgevingsvergunning is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. In dit onderzoek dient te worden aangetoond dat de bodenkwaliteit geschikt is voor de betreffende functie.

 

 

5.4 Water

 

Algemeen

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen.

Wet- en regelgeving

Volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht.

De watertoets - zoals deze in het kader van ruimtelijke plannen dient te worden uitgevoerd - is het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. De watertoets vormt zo de gewenste verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Op basis van de waterparagraaf wordt een wateradvies aangevraagd bij Waterschap Brabantse Delta. In dit kader worden dan ook alle relevante waterhuishoudkundige aspecten meegenomen in het onderhavige plan.

 

Plangebied

In en rond het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling betreft uitsluitend een functiewijziging, er vindt derhalve geen grootschalige nieuwbouw plaats. Het verhard oppervlak neemt dus ten opzichte van de oude situatie niet of nauwelijks toe. Dit betekent dat geen extra waterberging hoeft te worden aangelegd.

 

Bovendien ligt het plangebied niet in een gebied met een speciale bestemming/functie zoals beschermde gebieden voor de waterhuishouding of grondwaterbeschermingsgebieden.

 

Bij eventuele (nieuw)bouw dient gebruik te worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en dient het gebruik van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC achterwege gelaten te worden. Deze stoffen kunnen zich namelijk ophopen in het water(bodem)systeem en hebben daardoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

 

Conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan is, vanuit waterhuishouding bezien, voor het waterschap beperkt van belang. De motivatie daarvoor is dat plannen zonder ontwikkelingsmogelijkheden, zoals deze functiewijziging, nauwelijks tot geen effect hebben op de waterhuishouding. Dit betekent dat geen essentiële waterbelangen worden geraakt en geen verdere onderbouwing noodzakelijk is.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

 

 

5.5 Ecologie

 

Algemeen

Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening gehouden te worden gehouden met eventueel aanwezige ecologische waarden.

 

Wet- en regelgeving

De bescherming van ecologische waarden is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 en de ecologische hoofdstructuur van toepassing. De soortenbescherming (planten en dieren) komt voort uit de Flora- en faunawet.

Er mogen geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, waarvan op voorhand duidelijk is dat deze significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

 

Plangebied

Gebiedsbescherming

In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde gebied beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 betreft het Natura 2000-gebied “Ulvenhoutse Bos”. Dit beschermde gebied ligt op bijna 1.500 meter afstand. Gezien de ontwikkeling slechts beperkt blijft tot het perceel Woestenbergseweg 4, de toename van het aantal verkeersbewegingen door de ingreep zeer gering is en er veel grote verstorende tussenliggende elementen aanwezig zijn (wegen en de rijkswegen A27 en A58 met knooppunt Sint Annabosch) zijn directe en indirecte negatieve effecten van de voorgenomen functiewijziging op het beschermde gebied niet te verwachten.

Voor dit plan is geen sprake van een vergunningsaanvraag in het kader van de NB-wet.

 

Soortenbescherming

Op basis van de Flora- en faunawet zijn gebieden aangewezen voor de bescherming van dier- en plantensoorten. De werkingssfeer van de Flora- en faunawet is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in Nederland bescherming. Op grond van de Flora- en faunawet gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten. De functieverandering vindt plaats binnen de huidig aanwezige bebouwing. Daarom zijn geen significante gevolgen te verwachten voor eventueel aanwezige (beschermde) dier- en plantensoorten.

 

Daarnaast vindt, zoals in hoofdstuk 4 uiteengezet, een kwaliteitsverbetering van het landschap plaats. Daarvoor is de bestemming 'Natuur' toegekend aan een deel van het perceel.

 

Conclusie

Door de functieverandering worden er geen significante negatieve effecten verwacht voor wat betreft flora en fauna. Er wordt ter plaatse zelfs natuur toegevoegd.

 

 

5.6 Bedrijven

 

Algemeen

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden met geur, stof, geluid en gevaar. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden.

 

Bedrijven en gevoelige bestemmingen moeten daarom ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en gevoelige functies de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.

 

Plangebied

De functiewijziging betreft het aanbieden van dagbestedingsactiviteiten, zoals hout zagen en bewerken, houten meubelen opknappen, moestuin onderhouden en dierenverzorging. Grotendeels vinden deze werkzaamheden binnen in de aanwezige loods plaats. Qua uitstraling wat betreft hinder zijn deze werkzaamheden vergelijkbaar met een 'sociale werkvoorziening', zoals opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. Voor een 'sociale werkvoorziening' is een aan te houden richtafstand tot gevoelige functies opgenomen van 30 meter (omgevingstype 'rustig buitengebied'). De maatgevende hinderaspecten die deze afstand geven zijn 'stof' en 'geluid'. Het perceel Woestenbergseweg 4 ligt echter op meer dan 210 meter van de dichtstbijzijnde bebouwing.

Daarnaast is aangegeven dat voor dit type activiteit de verkeersaantrekkende werking gering is.

De functie die wordt gerealiseerd kent dus een zeer beperkte invloed op de omgeving, zeker ook vanwege de afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde bebouwing.

De op hetzelfde perceel gelegen (bestaande) woning wordt gezien als een bedrijfswoning horende bij de bedrijfsvoering op het perceel. Hiermee is er geen toetsingsplicht voor dit object.

 

Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied geen bedrijven aanwezig die een belemmering kunnen opleveren voor de ontwikkeling en die door de ontwikkeling beperkt worden in hun bedrifjsvoering.

 

 

Conclusie

Gesteld kan worden dat het aspect 'bedrijven' de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg staat.

 

 

5.7 Geluid

 

Algemeen

Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid.

 

Wet- en regelgeving

Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht worden. De geluidsniveaus op de gevel van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk:

  • wegverkeerslawaai;

  • railverkeerlawaai;

  • industrielawaai;

  • vliegtuiglawaai.

 

Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai en spoorlawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Verder is door de gemeente Breda het Ontheffingenbeleid Wet geluidhinder vastgesteld. Onder de noemer ‘Swung’ (Samen Werken in de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid) is in 2012 een aanzet gegeven tot het aanpassen van de geluidwetgeving.

Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Geluid van bedrijven in het kader van de Wet milieubeheer wordt op basis van de methodiek van de VNG in kaart gebracht. Deze geluidbronnen zijn nader besproken in paragraaf 5.6.

 

Voor elke bron zijn zogenaamde geluidzones vastgesteld. Indien nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige objecten buiten deze zones plaatsvinden, kan in principe vanuit gegaan worden dat de geluidsituatie voldoende is. Indien nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone zijn gepland, dient met akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat een goede geluidsituatie gerealiseerd wordt.

 

Over het plangebied liggen geen geluidszones van het spoor, een vliegveld of een industrieterrein. Spoorweglawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai zijn dus niet van toepassing.

 

Plangebied

De gewijzigde bestemming maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Op basis hiervan is geen toetsing aan de Wet geluidhinder nodig (vanwege wegverkeer) en hoeft een akoestisch onderzoek dus niet te worden uitgevoerd.

 

Wél verblijven in het plangebied gedurende de dagperiode mensen op de locatie. Daarom zou het wenselijk zijn de plattegrond van de loods dusdanig in te delen dat de verblijfsruimten gerealiseerd worden aan een geluidluwe zijde. Ook zou het gebruiken van vrij te komen grond voor het strategisch realiseren van een aarden wal als geluidafscherming een mogelijkheid zijn om het verblijfsklimaat ten aanzien van geluid te verbeteren. In figuur 5.1 is een uitsnede van de geluidkaart voor het plangebied opgenomen. Hieruit blijkt de invloed van de rijkswegen ten aanzien van geluid op de omgeving. Het perceel bevindt zich in een gebied met geluidniveaus van het wegverkeer variërend van 60-65 dB, wat gezien wordt als een matig tot slecht leefklimaat.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg staat.

 [image]

Figuur 5.1 Invloed rijkswegen ten aanzien van geluid

 

 

5.8 Luchtkwaliteit

 

Algemeen

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

 

Regelgeving

Op 15 november 2007 is in de Wet milieubeheer onder titel 5.2 ‘Luchtkwaliteiteisen’ opgenomen. Dit onderdeel is een implementatie van de Europese regelgeving uit 1996, en bevat luchtkwaliteitsnormen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden en stikstofdioxide, zwevende deeltjes (fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de grenswaarden. Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste moet worden in stand gehouden. Behalve voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide voldoet de luchtkwaliteit overal in Breda aan de gestelde grenswaarden. Mede door de relatief hoge achtergrondconcentraties overschrijden de concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide plaatselijk de grenswaarden. De overschrijdingen hangen in de meeste gevallen samen met het drukke verkeer.

Nieuwe ontwikkelingen mogen er niet toe leiden dat de grenswaarden worden overschreden. Indien blijkt dat dit toch het geval is, kan onderzocht worden of het mogelijk is om met maatregelen toch te voldoen aan de normen. Hierbij hebben bronmaatregelen de voorkeur. Indien dit niet mogelijk is kunnen overdrachtsmaatregelen.

 

Besluit gevoelige bestemmingen

Op 15 januari 2009 is het Besluit ‘gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’ in Staatsblad nr. 14 gepubliceerd, waarna het besluit op 16 januari in werking getreden is. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Met deze Amvb wordt de bouw van zogenaamde ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van (snel)wegen beperkt.

 

Plangebied

De nieuwe functie betreft geen gevoelig object. Dat wil zeggen dat geen basisschool of kinderdagverblijf is voorzien op de locatie. Het perceel bevindt zich op minimaal 150 meter afstand van de rijkswegen. Op deze afstand voldoet de luchtkwaliteit aan de normen. Dit neemt niet weg dat er nog steeds een hogere concentratie aan luchtverontreinigende stoffen aanwezig is dan op veel andere plaatsen in de gemeente. Waar mogelijk is het advies om maatregelen te treffen bij het verblijf binnen. Hierbij kan gedacht worden aan luchtbehandelinstallaties waar mensen gedurende een langere tijd verblijven. De voorgenomen ontwikkeling kent echter geen ruimtelijke beperkingen.

 

Conclusie

Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in een nieuw gevoelig object. Derhalve kan geconcludeerd worden dat voor de voorgenomen functiewijziging geen beperkingen bestaan vanwege luchtkwaliteit. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ staat de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg.

 

 

5.9 Geur

 

Algemeen

Geur kan de beleving van de leefomgeving zowel positief als negatief beinvloeden. De waardering van geur verschilt echter ook per persoon: wat de een vindt stinken, vindt de ander lekker ruiken. Hoewel de stoffen die de geur veroorzaken geen invloed hebben op de gezondheid, kan de hinder van geur toch een negatieve invloed hebben op de volksgezondheid.

 

Wet- en regelgeving

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) in werking getreden. De Wgv geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit veehouderijstallen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden getoetst.

Rond een agrarisch bedrijf worden "geurbelasting contouren" bepaald. Deze contouren geven de geurbelasting op een bepaalde plaats rond een bedrijf weer. Op basis van deze contouren kan beoordeeld worden of de ontwikkeling van een "geurgevoelig object" ter plaatse is toegestaan. Geurgevoelige objecten zijn locaties waar mensen wonen of regelmatig verblijven.

Een gemeente kan binnen een bepaalde bandbreedte afwijken van dit generieke, mits hiervoor een verordening is opgesteld. Deze verordening dient onderbouwd te zijn met een gebiedsvisie.

Voor de gemeente Breda is een "Quick scan Wet geurhinder en veehouderij’ uitgevoerd (september 2007). Tevens is een verordening opgesteld (Verordening geurhinder en veehouderij 2008 gemeente Breda, 30 oktober 2008).

 

Plangebied

Nabij het plangebied is een aantal veehouderijen aanwezig, met bijbehorende geurcontouren (figuur 5.2). Echter, de geurcontouren van deze veehouderijen vallen geheel buiten het plangebied.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de Wet geurhinder en veehouderij geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

 [image]

 

 [image][image]

Figuur 5.2 Indicatieve geurhindercontouren (plangebied globaal met groen omcirkeld )

[bron: Gebiedsvisie gemeente Breda Wet geurhinder en veehouderij, 2008]

 

 

5.10 Externe veiligheid

 

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of de betreffende transportroute.

 

Regelgeving

Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste regelingen zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Staatsblad 2004 nr. 250;

  • Circulaire 'Risiconormering Vervoer Gevaarlijke stoffen', Staatscourant 4/8/2004 nr. 147 (Basisnet weg en spoor);

  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Staatsblad 2010 nr. 686.

 

De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De externe veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Ontwikkelingen zijn niet toegestaan indien deze leiden tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.

 

Plangebied

Risicovolle inrichtingen

In en nabij het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er zijn derhalve geen relevante veiligheidscontouren waarmee rekening moet worden gehouden.

 

Buisleidingen

In en nabij het plangebied zijn ook geen buisleidingen aanwezig die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Er zijn derhalve geen relevante veiligheidscontouren waarmee rekening moet worden gehouden.

 

Vervoer gevaarlijke stoffen

Op een afstand van ongeveer 135 meter is de Rijksweg A58 gelegen. Over deze Rijksweg vindt vervoer plaats van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg levert externe veiligheidsrisico’s op voor de nabije omgeving.

 

Nabij het plangebied ligt wegvak B5 (Rijksweg A58: knooppunt St. Annabosch – afrit 12). Gelet op de afstand van circa 135 meter ten opzichte van het plangebied is in dit geval alleen het groepsrisico van belang (zie figuur 5.3).

 

 

 [image]

Figuur 5.3 Externe veiligheidscontouren (bron: risicokaartnederland.nl)

 

Groepsrisico

Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de Rijksweg A58. De afstand ten opzichte van de Rijksweg A58 bedraagt ongeveer 135 meter. De ontwikkeling betreft een toename van ten hoogste 10 personen met een licht verstandelijke beperking of psychische klachten die daar uitsluitend overdag aanwezig zijn (dagbesteding) en in de loods werkzaamheden verrichten of op het land. Daardoor is er dus geen sprake van een significantie toename van het groepsrisico en kan er op grond van de artikelen 7 en 8 van het (ontwerp-)Besluit externe veiligheid transportroutes worden volstaan met een beperkte groepsrisicoverantwoording.

 

Verantwoording groepsrisico

  1. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg:

  • Het plangebied is voldoende bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten. De opkomsttijd bedraagt minder dan 12 minuten en voldoet daarmee aan de in het Dekkings- en spreidingsplan 2011 – 2014 vastgestelde opkomsttijden.

  • Er is voldoende dekking van de waarschuwings- en alarmeringsinstallatie en/of NL-alert.

 

  1. Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.

De ontwikkeling betreft geen woonfunctie, maar dagverblijf (dagbestedingsactiviteiten met begeleiding) van ten hoogste 10 personen met een verstandelijke beperking of psychische klachten. Het gaat dus om een zeer beperkte groep van personen die mogelijk enigszins verminderd zelfredzaam zijn. Het gebied betreft buitengebied met voldoende mogelijkheden om zich in veiligheid te brengen. Bovendien is er sprake van een afstand van ongeveer 135 meter van de Rijksweg A58.

 

Conclusie

Het groepsrisico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A58 is aanvaardbaar. Derhalve zijn voor voorgenomen functiewijziging geen beperkingen van toepassing vanwege het aspect 'externe veiligheid'.

HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving

 

 

6.1 Inleiding

 

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de aanwezige waarden en karakteristieken van het plangebied en is de voorgenomen functiewijziging beschreven. Om dit mogelijk te maken, dienen deze – voor zover ruimtelijk relevant en mogelijk – juridisch vertaald te worden. Het aangewezen planologische instrument voor deze planontwikkeling is het bestemmingsplan. In navolgende paragrafen komt de juridische planbeschrijving aan bod, waarbij allereerst de hoofdopzet van het bestemmingsplan wordt beschreven en daarna de inleidende regels en de bestemmingsregels aan bod komen.

 

 

6.2 Hoofdopzet

 

6.2.1 Bestemmingsplan algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding en een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening, maar deze is niet juridisch bindend.

 

In Nederland zijn regels afgesproken over de naamgeving, de opbouw van de planregels en hoe deze worden verbeeld. Dit wordt de zogenoemde Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) genoemd. Dit alles om alle bestemmingsplannen in Nederland beter te kunnen vergelijken en ze ook digitaal uitwisselbaar te maken. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld volgens deze landelijke richtlijnen en standaarden. Bij strijdigheid met de analoge versie, geldt de digitale versie.

 

6.2.2 Indeling planregels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten:

  1. Inleidende regels;

  2. Bestemmingsregels;

  3. Algemene regels;

  4. Overgangs- en slotregels.

 

Deze volgorde is gebaseerd op de indeling, zoals is voorgeschreven in de SVBP. In hoofdstuk 1 ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de wijze van meten, die aangeeft hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. In het volgende hoofdstuk ('Bestemmingsregels') wordt ingegaan op bestemmingen en hun gebruik (zie paragraaf 6.3). Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de algemene regels, zoals algemene ontheffingsregels, algemene wijzigingsregels en procedureregels die op vrijwel alle bestemmingen van toepassing zijn. Hoofdstuk 4 ('Overgangs- en slotregels') gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bouwwerken en de citeertitel van het plan, zoals die overgenomen moet worden uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6.3 Bestemmingen

 

In de planregels zijn de bestemmingen in alfabetische volgorde opgenomen. In deze paragraaf volgt een toelichting op elke bestemming.

 

Maatschappelijk (artikel 4)

Binnen deze bestemming zijn uitsluitend dagbestedingsactiviteiten mogelijk, waabij overnachting en nachtopvang niet is toegestaan. De reeds aanwezige woning wordt bestemd als bedrijfswoning, met dien verstande dat er slechts één bedrijfswoning is toegestaan.

 

Enkel ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mag gebouwd worden en dan alleen indien is voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage bij de regels is toegevoegd. In de regels is vervolgens ook voorgeschreven welke afmetingen de gebouwen maximaal mogen hebben en onder welke voorwaarden het verbouwen, uitbreiden en vervangen van de bedrijfswoning mogelijk is.

 

Indien de dagbestedingsactiviteiten niet meer uitgevoerd worden, dan is het wenselijk dat het 'oude' gebruik van het perceel, zijnde wonen, weer terugkomt. Derhalve is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk wordt om de bestemming te wijzigen naar de bestemming 'Wonen'. Als randvoorwaarde is gesteld dat overtollige bijgebouwen die gerealiseerd zijn ten behoeve van de dagbesteding gesloopt dienen te worden. Ten behoeve van de woonfunctie is dan een maximum oppervlakte van 125 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Daarnaast is het aanvaardbaar dat de kwaliteitsverbetering van het landschap die ten behoeve van de bestemming 'Maatschappelijk' wordt uitgevoerd, niet opnieuw hoeft te worden uitgevoerd indien gebruik gemaakt wordt van de wijzigingsbevoegdheid.

 

Natuur (artikel 5)

Een deel van de gronden binnen het plangebied zijn bestemd als 'Natuur'. Deze bestemming biedt een kader voor behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden. Op de gronden met de bestemming 'Natuur' mogen niet zondermeer bepaalde werken of werkzaamheden, zoals het verwijderen van bomen, uitgevoerd worden zonder een omgevingsvergunning. De gronden mogen bovendien ook niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van maximaal 1,50 meter.

 

Waarde-Archeologie (artikel 6)

Bij ruimtelijke inrichting en ontwikkelingen in het plangebied moet worden gezocht naar beschermings- en inpassingmogelijkheden van eventuele archeologische waarden.

 

De dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ is gehanteerd voor de gebieden die conform de archeologische beleidsadvieskaart zijn gekenmerkt als gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Deze bestemming is erop gericht de archeologische belangen op adequate wijze te beschermen. Bodemingrepen zijn op deze gronden in principe niet toegestaan, hiervan mag onder voorwaarden worden afgeweken. Het college van burgemeester en wethouders stelt de bepalingen hieromtrent vast in een omgevingsvergunning. Het principe ‘de verstoorder betaalt’ is van toepassing. Op de gronden met deze dubbelbestemming dient in beginsel een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij dergelijke ingrepen. De resultaten van het onderzoek worden door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. Indien uit onderzoeken blijkt dat geen sprake (meer) is van archeologische waarden of voldoende maatregelen zijn genomen om de archeologische waarden te beschermen, dan is geen omgevingsvergunning noodzakelijk.

 

Algemene aanduidingsregels (artikel 9)

Er zijn aanduidingsregels opgenomen voor:

  • 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen weg - gr contour': Op gronden binnen deze aanduiding dienen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen van inrichtingen vooraf in het kader van externe veiligheid te worden getoetst en te voldoen aan het groepsrisico.

  • 'luchtvaartverkeerzone - ihcs zone': De ihcs zone ('Inner Horizontal and Conical Surface') heeft tot doel vliegtuigen die in het circuit vliegen (circuitverkeer), voorafgaand aan de landing, te beschermen tegen hoge objecten. Gebouwen en andere bouwwerken binnen deze zone mogen maximaal 120 meter hoog zijn. Voor het plangebied is dit verder niet aan de orde.

  • 'luchtvaartverheerzone - ils zone': Voor het goed functioneren van het 'Instrument Landing System' is het noodzakelijk dat in een gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt. Gebouwen en andere bouwwerken binnen deze zone mogen maximaal 75 meter hoog zijn. Voor het plangebied is dit verder niet aan de orde.

 

 

HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid

 

7.1 Toepassing afdeling 6.4 Wro (Grondexploitatie)

 

In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij de hierna genoemde ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of bij een omgevingsvergunning.

 

Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk:

  • de bouw van één of meer woningen;

  • de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen;

  • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met één of meer woningen;

  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bvo bedraagt;

  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000m² bvo.

 

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategoriën) gesteld moeten worden en het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is (bijvoorbeeld via een overeenkomst), er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (openbare ruimte) of woningbouwcategorieën hoeven te worden vastgesteld. Indien de kosten minder dan € 10.000,- bedragen, kan ervoor gekozen worden deze middels andere wijze dan een exploitatieplan te verhalen, bijvoorbeeld via leges.

 

 

7.2 Financiële uitvoerbaarheid

 

De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan betreffen de plankosten en kosten voor eventuele planschade. Het verhuren van de gronden en opstallen genereert een opbrengst waarmee deze kosten bekostigd worden. Met de huurder wordt een overeenkomst gesloten waarin afspraken gemaakt worden over een tegemoetkoming in deze kosten. Het kostenverhaal is middels een overeenkomst dan ook anderszins verzekerd waardoor de financiële uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan is gegarandeerd. Er bestaat geen verplichting om tegelijkertijd met het bestemmingsplan een exploitatieplan op te stellen.

Voor de aanleg en versterking van de houtwal (ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap) zijn financiële middelen gereserveerd. Derhalve is het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar.

HOOFDSTUK 8 Communicatie

 

 

8.1 Inleiding

 

In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor het voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.

Als eerste is een concept-ontwerpbestemmingsplan opgesteld. In dat stadium vindt ook het wettelijke vooroverleg plaats met instanties als waterschap, diensten van het Rijk en provincie (paragraaf 8.2.1). Indien dit traject is afgerond, start de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan (paragraaf 8.2.2).

 

 

8.2 Procedure

 

8.2.1 Vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende instanties:

  1. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch;

  2. Waterschap Brabantse Delta, Breda;

  3. Ministerie van Defensie, Dienst Vastgoed Defensie, directie Zuid, Tilburg.

  4. Brandweer Midden en West-Brabant, Pro-actie en Preventie, Tilburg;

  5. Dorpsraad Bavel.

 

De instanties hebben van 28 februari tot en met 8 mei 2014 de gelegenheid gehad om een reactie te geven. De instanties genoemd onder 1, 2, 3 en 5 hebben een reactie gegeven op het plan. De provincie, het waterschap en defensie hebben aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen te hebben op het plan. De dorpsraad Bavel heeft wel een inhoudelijke reactie gegeven. Hieronder is deze samengevat en van antwoord voorzien.

 

Dorpsraad Bavel

De dorpsraad heeft op 25 april 2014 op eigen initiatief een bijeenkomst georganiseerd, waarvoor 30 adressen gelegen aan de Woestenbergseweg, Roosbergseweg en een gedeelte van de Gilzeweg, zijn uitgenodigd. Op deze avond waren 18 bewoners aanwezig en heeft initiatiefnemer, zijnde Arriba dagbesteding, een toelichting gegeven. De belangrijkste opmerkingen zijn:

  1. de omwonenden betreuren het dat zonder dat daarvoor toestemming is verleend, een loods op het perceel is gebouwd;

  2. gezien het feit dat dat voorgesteld wordt om de bestemming te wijzigen in 'Maatschappelijk' met derhalve een brede toepassing, zouden de omwonenden graag in het plan opgenomen willen hebben dat ter plekke uitsluitend de voorgestelde dagopvang kan gaan plaatsvinden.

 

Ad. 1

Ook de gemeente betreurt het dat initiatiefnemer zonder omgevingsvergunning een loods op het perceel heeft gebouwd. Daarom moet initiatiefnemer, nadat voorliggend bestemmingsplan rechtskracht heeft gekregen, alsnog een aanvraag voor omgevingsvergunning indienen teneinde de reeds gebouwde loods te legaliseren. Tot die tijd mag dhr. Driessen de loods niet gebruiken voor zijn dagbestedingsactiviteiten.

Het bestemmingsplan hoeft verder niet aangepast te worden naar aanleiding van deze opmerking.

 

Ad 2.

In de bestemming 'Maatschappelijk' is reeds in de bestemmingsomschrijving opgenomen dat uitsluitend "dagopvang van maximaal 10 cliënten, die, onder begeleiding, zowel (agrarische) activiteiten als productie werkzaamheden verrichten en waarbij nachtverblijf niet is toegestaan" is toegestaan. Andere maatschappelijke functies zijn niet mogelijk gemaakt.

Het bestemmingsplan hoeft dus niet te worden aangepast.

 

 

Conclusie

Naar aanleiding van deze reactie hoeft het bestemmingsplan niet te worden aangepast.

 

8.2.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 12 juni tot en met 23 juli 2014 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is wel aangepast naar aanleiding van ambtshalve wijzigingen. De ambtshalve wijzigingen en de consequenties voor het bestemmingsplan zijn in het raadsvoorstel verwoord. Het college stelt hiermee de raad voor het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen.

 

8.2.3 Beroep

Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk.