Gemeente Breda

Planteksten

Op deze pagina vindt u de planteksten behorende bij het plan Nieuw Wolfslaar, Patrijzenlaar tussen nrs 11 en 15.

toelichting


 

Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

1.4 Leeswijzer

HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE

2.1 Ruimtelijke structuur

2.2 Bestaande situatie

HOOFDSTUK 3 TOEKOMSTIGE SITUATIE

HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER

4.1 Rijksbeleid

4.2 Provinciaal beleid

4.3 Gemeentelijke beleid

HOOFDSTUK 5 RANDVOORWAARDEN

5.1 Erfgoed

5.2 Bedrijven en milieuzonering

5.3 Bodemkwaliteit

5.4 Externe veiligheid

5.5 Flora en fauna

5.6 Geluid

5.7 Geur

5.8 Luchtkwaliteit

5.9 Water

5.10 m.e.r. - beoordeling

HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE ASPECTEN

6.1 Inleiding

6.2 Systematiek van de regels

6.3 Toelichting op de bestemmingen

HOOFDSTUK 7 UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

 

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

 

1.1 Aanleiding

De aanleiding voor het opstellen van het bestemmingsplan is de wens om op een woonperceel in de wijk Nieuw Wolfslaar twee woningen te realiseren. Binnen het perceel is echter maar één woning toegestaan op grond van het vigerend bestemmingsplan 'Nieuw Wolfslaar'.

 

Voor de kavels in het vigerend bestemmingsplan is bepaald dat de percelen per vrijstaande woning een minimale omvang moeten hebben van 1.000 m2 en de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 7 meter dient te bedragen. Door splitsing van het perceel in twee kavels kan niet aan deze regel worden voldaan.

 

Omdat de voorgestelde kavelsplitsingen beter aansluiten op de wensen van de markt en qua situering en afmetingen past binnen de structuur en opzet van de wijk wil de gemeente meewerken aan dit initiatief.

 

Door middel van onderhavig bestemmingsplan zal de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt worden.

 

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in de wijk Nieuw Wolfslaar tussen de wijk IJpelaar en het dorp Bavel in het zuidoosten van Breda. Aan de noordwestzijde grenst het plangebied aan de Patrijzenlaar. Verder wordt het plan omringt door bestaande, vrijstaande woningen.

 

Het woonperceel is kadastraal bekend als Nieuw Ginneken C, nr. 2489 en heeft een totaal oppervlakte van 1783 m2. Het plangebied aan de voorzijde van het perceel heeft een oppervlakte van ca. 783 m2.

 
[image]

 

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Nieuw Wolfslaar', vastgesteld door de gemeenteraad op 15 mei 2008 en onherroepelijk vanaf 9 december 2009.

 

 [image]

Uitsnede vigerend bestemmingsplan

 

Op grond van het vigerend bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Woondoeleinden' met de aanduiding 'wonen vrijstaand'. Binnen deze bestemming is bepaald dat bouwpercelen voor de bouw van één vrijstaande woning met deze aanduiding een minimale omvang dienen te hebben van 1.000 m2. Daarnaast is bepaald dat bij vrijstaande woningen een minimale afstand tot de zijdelingseperceelsgrens van 7 meter aangehouden dient te worden, voor zover de kavel niet is gelegen langs het oorspronkelijke bebouwingslint de Nieuw Wolfslaarlaan.

 

1.4 Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt allereerst ingegaan op de huidige situatie van het plangebied, waarna in hoofdstuk 3 de beoogde toekomstige situatie wordt weergegeven. Een beschrijving van het relevante beleidskader op Rijks-, provinciaal- en gemeentelijkniveau staat in hoofdstuk 4. Vervolgens komen in hoofdstuk 5 de milieukundige randvoorwaarden en onderzoeken aan de orde. De juridische opzet van het plan staat in hoofdstuk 6. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in hoofdstuk 7 beschreven.

 

HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE

 

2.1 Ruimtelijke structuur

De belangrijkste oorspronkelijke kenmerken van Nieuw Wolfslaar zijn de landschappelijke en ecologische betekenis van de Bavelse Ley en de ruimtelijke kwaliteit van de Bavelselaan. Behoud van deze kwaliteiten is het uitgangspunt geweest bij de planontwikkeling van de wijk.

 

De ruimtelijke hoofdopzet van de wijk wordt gevormd door twee noord-zuid gelegen groenstructuren: de Bavelse Ley en de geluidswal, met daartussen twee intensief bebouwde woningclusters, die gescheiden worden door de Nieuw Wolfslaarlaan die aan weerzijden is uitgebreid met vrijstaande woningen op grote kavels.

 

De woningclusters hebben oost-west gerichte straten die beide groenstructuren bereikbaar maken en visueel koppelen door de doorzichten in de straatprofielen.

 

2.2 Bestaande situatie

Het plangebied betreft een woonperceel, waarop momenteel nog geen woning is gerealiseerd. Het totale perceel heeft een oppervlakte van 1783 m2. Het plangebied aan de voorzijde van het perceel heeft een oppervlakte van ca. 783 m2. Het perceel is gelegen tussen bestaande, vrijstaande woningen in verschillende bouwstijlen, variërend van één bouwlaag, één bouwlaag met kap, twee bouwlagen of twee bouwlagen met kap.

 

 

 [image]

Bestaande situatie

 

 [image]

Plangebied rood omlijnd

 

HOOFDSTUK 3 TOEKOMSTIGE SITUATIE

 

Op de locatie wordt een ontwikkeling beoogd waarbij het woonperceel wordt gesplitst in twee kavels van ca. 783 m2 en 1.000 m2. Om de beoogde woning mogelijk te maken op het voorste kavel, dient het perceel gesplitst te worden en de minimale kavelgrootte voor één woning 1.000 m2 losgelaten te worden. Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft het afgesplitste deel van 783 m2 waar binnen de bouw van één woning mogelijk is. Aan de achterzijde kan op het perceel van 1.000 m2 op basis van het vigerende bestemmingsplan een woning worden gebouwd.

 

In het plangebied aan de voorzijde mag een woning worden gebouwd binnen het bouwvlak. De minimale afstand van de voorste woning tot de zijdelingse perceelsgrens wordt 7 meter. Aan de oostzijde komt de inrit van de achterste woning. De nieuwe woning aan de voorzijde komt op minimaal 7 meter vanaf de perceelgrens met de woning Patrijzenlaar 11. De afstand tot de perceelsgrens van de inrit dient minimaal 3 meter te bedragen. De inrit naar de achterste woning ligt daarmee in de zone van 7 meter. De goothoogte bedraagt maximaal 7 meter en de bouwhoogte maximaal 12 meter.

 

 [image]

Toekomstige situatie

 

HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER

 

4.1 Rijksbeleid

 

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

 

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk en de gebruiker voorop zet. Het Rijk voert dit samen met andere overheden uit. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uit gaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.

 

Om dit te behalen, heeft het Rijk drie hoofddoelen geformuleerd:

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;

  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;

  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor het plangebied gelden geen opgaven van nationaal belang.

 

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te kunnen stellen aan ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Hierdoor wordt van de regelgeving verwacht dat de inhoud doorwerkt op de ruimtelijke besluitvormig op gemeentelijk niveau. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z. door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigd in juridische zin deze kaderstellende wetgeving. Het Barro is op 30 oktober 2011 in werking getreden.

 

Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken:

  • De mainportontwikkeling van Rotterdam;

  • De bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren;

  • De bescherming en behoud van de Waddenzee;

  • De bescherming en behoud van enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam;

  • De uitoefening van defensietaken;

  • Veiligheid rond rijksvaarwegen;

  • Toekomstige uitbreiding van hoofd(spoor)wegennet;

  • De elektriciteitsvoorziening;

  • De ecologische hoofdstructuur;

  • De veiligheid en bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament;

  • Toekomstige rivierverruiming langs de Maas;

  • Verstedelijking in het IJsselmeer;

  • Duurzame verstedelijking.

 

Uitoefening defensietaken

Voor het plangebied geldt dat in het Barro regels zijn opgenomen inzake de uitoefening van defensietaken. Het plangebied ligt namelijk in het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen.

 

Een obstakelbeheergebied kenmerkt zicht door – gezien vanuit het vliegveld – een aantal vlakken waarvan de hoogte oploopt met het toenemen van de afstand tot het luchtvaartterrein. Het obstakelbeheergebied bepaalt tot welke hoogte gebouwen en bouwwerken gebouwd mogen worden. Dit is ter voorkoming van gevaar voor het vliegverkeer rond de luchthaven ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. Het deel van de obstakelvrije zone rondom het vliegveld Gilze-Rijen dat over het plangebied ligt is de invliegfunnel.

 

Dit zijn de start- en landingsvlakken met zijkanten, die zijn vastgesteld in het verlengde van de start- en landingsbaan. Hiervoor gelden hoogtebeperkingen als het gaat om het oprichten van hoge obstakels. De maximale bouwhoogte voor gebouwen en bouwwerken in het plangebied is 12 meter. Dit is ruim beneden de hoogtebeperkingen van de invliegfunnel.

 

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de 'ladder voor duurzame verstedelijking' – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van centrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen.

 

De ladder dient verplicht toegepast te worden bij besluiten die betrekking hebben op een stedelijke ontwikkeling. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1 lid 1 van het Bro omschreven als: “Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.

 

Uit de jurisprudentie, die is verschenen sinds de inwerkingtreding van de ladder, blijkt dat de afdeling bestuursrechtspraak een zekere ondergrens stelt aan ontwikkelingen wanneer het gaat om de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een stedelijk ontwikkeling als meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn getrokken, dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

 

Onderhavig planvoornemen betreft het toevoegen van één nieuwe woning, daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

 

4.2 Provinciaal beleid

 

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) in werking getreden en op 19 maart 2014 geactualiseerd. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijke handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en de doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De provincie kiest voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. De ruimtelijke keuzes geven hier op provinciaal niveau invulling aan.

 

De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. Samen vormen deze structuren de provinciale ruimtelijke structuur. De vier structuren zijn:

  • De groenblauwe structuur;

  • Het landelijk gebied;

  • De stedelijke structuur;

  • De infrastructuur.

 

 [image]

Uitsnede Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

 

Het plangebied is als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied op de bijbehorende kaarten aangegeven als 'stedelijk concentratiegebied'. In de stedelijke structuur wil de provincie het volgende bereiken:

  • Concentratie van verstedelijking;

  • Zorgvuldig ruimtegebruik;

  • Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit;

  • Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur;

  • Versterking van de economische kennisclusters.

 

Binnen het stedelijk gebied is functiemenging, inbreiding, herstructurering en transformatie belangrijk, zodat er minder ruimte nodig is voor stedelijke uitbreiding. Door de verstedelijking te concentreren, zijn er meer mogelijkheden om een hoog voorzieningenniveau in stand te houden en verder te ontwikkelen. Dat gebeurt rond goed ontsloten gebieden, zoals in dynamische stadcentra en op knooppunten van infrastructuur.

 

Onderhavige ontwikkeling voorziet in een inbreiding binnen de grenzen van het bestaand stedelijk gebied. Daarmee voldoet het plan aan de uitgangspunten van het provinciaal beleid.

 

4.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant

De Verordening ruimte is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de verordening vertaalt de provincie kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Op 7 februari 2014 is door de Provinciale Staten de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. De verordening is op 13 maart 2014 in werking getreden (geconsolideerde versie per 1 juli 2018).

 

De Verordening ruimte bevat onder andere de volgende onderwerpen:

  • Ruimtelijke kwaliteit;

  • Stedelijke ontwikkelingen;

  • Natuurgebieden en andere gebieden met waarden;

  • Agrarische ontwikkelingen, waaronder intensieve veehouderij;

  • Overige ontwikkeling in het landelijk gebied.

 

 [image]

Uitsnede Verordening ruimte

 

Het plangebied is gelegen in het bestaand stedelijk gebied. Binnen het bestaand stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkelingen. In het stedelijk concentratiegebied zijn de mogelijkheden om het bestaand stedelijk gebied beter te benutten door inbreiding en herstructurering en intensief en meervoudig ruimtegebruik van belang. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden die compacte bouwwijzen bieden om het ruimtegebruik te intensiveren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het provinciaal beleid.

 

4.3 Gemeentelijke beleid

 

4.3.1 Structuurvisie Breda 2030, Keuzes maken in een dynamische tijd

De Structuurvisie Breda 2030 (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2013) geeft de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weer en biedt een afwegingskader voor de stedelijke programmering. De structuurvisie dient als integrale basis voor bestemmingsplannen, ontwikkelingsvisies en beleidsdocumenten.

 

Het fundament voor de ontwikkeling van Breda naar 2030 is het ontwikkelen van een compacte, duurzame stad, waarin ruimte is voor initiatief. Uitgangspunt in de Structuurvisie voor wat betreft woningbouw is een betere aansluiting van de nieuwbouw op de bestaande voorraad en de ontwikkelde woningvraag. Vraag en aanbod moeten beter op elkaar afgestemd worden. Het is dus van belang dat een herprogrammering plaatsvindt, waarbij prioriteiten gesteld worden, welke woningbouwplannen wel een geen doorgang mogen vinden. Het afstemmen van het woningaanbod op de woonvraag is de opgave voor markt en overheid. De gemeente voert de regie op het programma en zal samen met andere partijen en bewoners richting gegeven aan de projecten waarop wordt ingezet. Zij heeft hierbij vooral een regisserende, stimulerende en faciliterende rol. Wanneer de bevolkingsontwikkeling, de woningmarkt en de ambities rond het wonen vertaald worden naar het woonbeleid, komen de volgende accenten naar voren:

  • Realistisch programmeren;

  • Bijstellen, doseren en faseren van lopende plannen;

  • Schrappen van projecten die niet tot ontwikkeling komen;

  • Faciliteren van vernieuwende, onderscheidende en unieke woonlocaties;

  • Ondersteunen van initiatieven (zelfbouw);

  • Aandacht voor de vitaliteit van de dorpen en wijken;

  • Inzetten op duurzaamheid bestaande voorraad (o.a. particuliere woningverbetering);

  • Aandacht voor vergrijzing (nul-trede-woningen, thuis wonen met zorg in de buurt);

  • Huisvesten van jonge huishoudens;

  • Huisvesten van kwetsbare groepen en de benodigde kernvoorraad aan sociale huurwoningen;

  • GWI en bereikbaarheid voorzieningen;

  • Arbeidsmigranten en studenten en regulering kamermarkt.

Vertaald naar de nieuwe woningvoorraad, geven de accenten voor het woonbeleid het volgende beeld:

  • Kleinschalig en verspreid over alle woonsferen en woonmilieus;

  • Ruimte voor zelfbouw;

  • Inzetten op functiemenging;

  • Versterken karakter bestaande woonmilieus (gemêleerd);

  • Monitoring ontwikkeling vraagzijde en effecten realisatieteam;

  • Faseren en doseren grootschalige locaties;

  • Verzamelopgave vitaliteit dorpen.

Woningvermeerdering kan worden toegelaten wanneer sprake is van verbetering van de (ruimtelijke) kwaliteit van de locatie door woningbouwontwikkeling.

Het plangebied is gelegen in de wijk Nieuw Wolfslaar. Het plan past binnen de stedenbouwkundige opzet van de wijk en voldoet met de kleinere kavels bovendien meer aan de vraag vanuit de markt. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de gemeentelijke kaders van de stedelijk programmering zoals vastgelegd in de Structuurvisie Breda 2030.

 

HOOFDSTUK 5 RANDVOORWAARDEN

 

5.1 Erfgoed

Cultureel Erfgoed

In de nota Erfgoed in context ErfgoedVisie Breda 2008-2015 is vastgesteld dat het Bredase erfgoed de basis vormt van de Bredase identiteit en tevens de basis vormt van ruimtelijke ontwikkelingen in Breda. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. In deze toelichting op het bestemmingsplan wordt het aanwezige cultureel erfgoed (te verdelen in archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed) globaal in beeld gebracht en wordt aangegeven hoe deze waarden beschermd worden.

 
Archeologie wordt in het bestemmingsplan vertaald middels de Waarde Archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed worden vertaald middels de Waarde Cultuurhistorie.

 

Archeologie
Om de archeologische waarden in het gebied te beschermen conform het vastgestelde gemeentelijk beleid, de Monumentenwet 1988, waarin besloten ligt de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007, is de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' opgenomen voor de gebieden die conform de Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 1. Archeologie zijn gekenmerkt als gebieden met een archeologische verwachting anders dan laag. Hetzelfde geldt voor de gebieden van archeologische waarden en gemeentelijke archeologische monumenten. Ter plaatse van gronden met een dubbelbestemming dient voorafgaand aan ontwikkelingen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het archeologisch onderzoek wordt door bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld.

 

Op basis van de gegevens op de Beleidsadvieskaart 'Breda's Erfgoed deel 1 Archeologie' blijkt dat het plangebied al een verstoord gebied betreft als gevolg van ontgrondingen en opgravingen.

 

 [image]

Uitsnede Beleidsadvieskaart 'Breda's Erfgoed deel 1 Archeologie'

 

 

Historische geografie

In het stedenbouwkundig plan van Nieuw Wolfslaar zijn een aantal cultuurhistorische relicten opgenomen, waaronder de Bavelselaan (Nieuw Wolfslaarlaan) en delen van het Koolpad. Op de locatie van onderhavig postzegelbestemminsgplan zijn geen relicten terug te vinden.

 

Gebouwd erfgoed

Binnen het plangebied bevinden zich geen beschermde monumenten en panden van cultuurhistorische waarde (locatie thans onbebouwd). Derhalve is het toekennen van een dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ niet van toepassing.

 

Conclusie 

Het plangebied is al dusdanig verstoord dat geconcludeerd kan worden dat er geen archeologische waarde in het plangebied aanwezig zijn. Er zijn geen waardevolle elementen vanuit historische geografie of gebouwd erfgoed aanwezig. Het aspect erfgoed vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Wet milieubeheer

De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moet daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer.

 

In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een indicatieve richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten opgenomen. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van de milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook de uiteindelijke richtafstand.

 

De richtafstanden volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.

 

Milieucategorie

Richtafstand t.o.v. rustige wijk

Richtafstand t.o.v. gemengd gebied

1

10 m

0 m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

  

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende functies, enkel woningen. Nader onderzoek is in het kader van bedrijven en milieuzonering daarmee niet noodzakelijk.

 

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.3 Bodemkwaliteit

Besluit bodemkwaliteit

Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) van kracht. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu, én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen.

Op grond van artikel 3.1.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (2008) moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingsplan te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of een herinrichting mogelijk is, moet tenminste een verkennend bodemonderzoek worden verricht.

 

Onderzoek

Voor het plangebied is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 1, Aeres Milieu, AM18507, 1 november 2018).

 

De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek.

 

De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

 

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.4 Externe veiligheid

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen.

Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als “het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.”

 
Het groepsrisico is gedefinieerd als “de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting of een ongewoon vooral binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.”

 

Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. De verbonden risico's moeten beperkt blijven. Hiervoor worden de volgende normstellingen gehanteerd:

  • Het plaatsgebonden risico (PR) is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;

  • Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijk ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Bevi is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden.

 

Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare.

 
Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare.

 
Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijzen waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming.

 

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes. Dit besluit is gebaseerd op de Wro en de Wm. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van de groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht.

 

Onderzoek

 

 [image]

Uitsnede risicokaart

 

Inrichtingen

In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen welke vallen onder werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er zijn derhalve geen relevante (bedrijfs)risicocontouren waarmee rekening gehouden dient te worden.

 

Vervoer gevaarlijke stoffen

Het plangebied is gelegen nabij Rijksweg A27 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied langs deze weg is 200 meter. Het plangebied ligt binnen dit invloedsgebied.

In 2002 is in het kader van de toen lopende artikel-19 procedure een onderzoek verricht naar het externe veiligheidsrisico langs de A27 (Externe veiligheid van vijf ontwikkelingslocaties in Breda, rapportnr. R 2002/056, februari 2002).

 
Uit dit onderzoek blijkt dat de normen niet worden overschreden. Ten behoeve van het vigerend bestemmingsplan heeft de Brandweer Midden West Brabant een nieuwe externe veiligheidsberekening uitgevoerd op basis van de laatste inzichten. De hierboven genoemde conclusie worden uit deze berekening bevestigd.

 

Omdat het groepsrisico ruim onder de norm blijft en de toekomstige bewoners naar verwachting voldoende zelfredzaam zijn, worden de nieuwe ontwikkelingen vanuit het oogpunt van externe veiligheid acceptabel geacht.

 

Buisleidingen

Ten noordoosten van het plangebied, op een afstand van ten minste 950 m is een hogedruk aardgasleiding (Z-528-01) gelegen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar bedraagt 0 m. het invloedsgebied bedraagt 140 m aan weerszijde van de leiding. Het plangebied ligt ruimschoots buiten het invloedsgebied.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.5 Flora en fauna

 

Wet natuurbescherming (Wn)

De Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de wet komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.

 

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien van uit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.

Het bevoegd gezag kan schadelijk activiteiten beperken en eisen dat een milieuvergunning op de Wn wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in de Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

 

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genaamd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar verbinden en met het omringende agrarische gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wet natuurbescherming niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen:

  • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken;

  • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

  • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

  • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

  • Alle Natura 2000-gebieden.

 

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk.

In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.

De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van het nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen.

 

Beschermde soorten

Met de komst van de Wet natuurbescherming is de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wn niet meer en andersom. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes:

  • Vogels: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wn);

  • Internationaal beschermde soorten: alle dieren en planten genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2. van de Wn);

  • Overige beschermde soorten: soorten genoemd in de bijlagen van de Wn, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wn).

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

 

Onderzoek

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op enige afstand van het Natura 2000-gebied 'Ulvenhoutse Bos'. Door de kleinschaligheid van het planvoornemen zal er geen sprake zijn van (significante) negatieve effecten op het natuurgebied. Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk.

 

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt op voldoende afstand van het Natuurnetwerk, waardoor geen externe effecten te verwachten zijn op het NNN.

 

Beschermde planten en dieren

Het plangebied maakt onderdeel uit van een braakliggende en bouwrijpe woonkavel met uitsluitend kort gras, dat regelmatig gemaaid wordt. Er zijn geen bomen of opgaande beplanting aanwezig. Ook oppervlaktewater is niet aanwezig. Gezien de aard van de aanwezige vegetatie en stedelijke ligging, is de verwachting dat er geen beschermde plant- en diersoorten in het plangebied aanwezig zullen zijn.

Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wn). Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

 

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.6 Geluid

Wet geluidhinder

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling in de Wet ruimtelijke ordening plaats op basis van een goed woon- en leefklimaat. In de zin van de Wgh zijn woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermd tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige terreinen wordt verstaan: terreinen behorend bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen en psychiatrische inrichtingen. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidsgevoelig in het kader van de Wgh.

 

Geluid beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de leefomgeving. In de Wgh worden daarom eisen gesteld aan de toelaatbare geluidbelasting op gevels van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone langs bestaande infrastructuur.

 

Onderzoek

Het plangebied ligt binnen de zone van Rijksweg A27. De Patrijzenlaar en andere nabijgelegen wegen hebben een maximumsnelheid van 30 km/uur, hiervoor geldt geen zonering.

 

Uit een akoestisch onderzoek (bijlage 2, akoestisch onderzoek Nieuw Wolfslaar - 3 locaties) dat is uitgevoerd voor onder andere het perceel op de hoek Patrijzenlaar – Thoornseweg in 2015, blijkt dat op dat perceel voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van maximaal 48 dB vanwege de A27. Dit vanwege de aanwezigheid van een geluidwal langs de A27.

 

 [image]

kaart geluidbelasting A27 uit akoestisch onderzoek Nieuw Wolfslaar - 3 locaties. Het groene gebied voldoet aan de voorkeursgrenswaarde

 

Het plangebied van onderhavig planvoornemen (zie rode cirkel op bovenstaande afbeelding) ligt op een grotere afstand van de A27 (ca. 190 m) dan het perceel op de hoek Patrijzenlaar – Thoornseweg. Hieruit kan geconcludeerd worden dat in plangebied voldaan wordt aan de eisen van de Wgh.

 

Op de onderstaande geluidsbelastingkaart van de A27 is te zien dat het plangebied buiten het gebied met geluidbelasting hoger dan 55 dB valt.

 

 [image]

 

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.7 Geur

Wet geurhinder en veehouderijen

In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunde rechten van bedrijven in de omgeving.

 

Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelige object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald.

 

Locatie geurgevoelige object

Ten hoogste toegestane geurbelasting

Concentratiegebied, binnen bebouwde kom

3,0 OUe/m3

Concentratiegebied, buiten bebouwde kom

14,0 OUe/m3

Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom

2,0 OUe/m3

Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

8,0 OUe/m3

 

Deze maximaal toegestane geurbelasting is in een aantal gevallen niet van toepassing. Dit is het geval in de volgende situaties:

  1. Ruimte voor ruimte woning of aanwezige geurgevoelig object, dat na 19 maart 2000 is gebouwd op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij en is gebouwd in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij en in samenhang met de sloop van bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij;

  2. Bedrijfswoning behorende bij andere een andere veehouderij;

  3. Voormalig geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij.

Als één van deze situaties aan de orde is, wordt uitgegaan van vast afstanden. De minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom dient tenminste 100 meter te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn.

 

Onderzoek

Invloed geur afkomstig van bedrijven

In (de omgeving van) het plangebied zijn geen geurrelevante bedrijven aanwezig.

 

Invloed van geur afkomstig van veehouderijen

In (de omgeving van) het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig waarvan de geurhindercontouren over het plangebied liggen.

 

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.8 Luchtkwaliteit

Wet milieubeheer

Een onderdeel uit de Wet milieubeheer betreft de luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

 

Overschrijdingen van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregelen van bestuur 'niet in betekenende mate' vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de regeling 'niet in betekende mate' zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  1. Woningbouwlocaties met minder dan 1.500 woningen;

  2. Projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bedragen. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3.

 

Onderzoek

Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van één woning. Het voornemen draagt daarmee 'niet in betekenende mate' bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hetgeen betekent dat geen nader onderzoek noodzakelijk is.

 

Conclusie

Op het gebied van luchtkwaliteit zijn geen bezwaren voor de uitvoering van het plan.

 

5.9 Water

Europese Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.

 

Waterwet

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt en op provinciaalniveau een regionaal waterplan. Deze plannen bevatten de hoofdlijnen van het nationale en regionale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale en regionale ruimtelijke beleid. De ruimtelijke aspecten van plannen van Rijk en provincies worden vervolgens aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies, plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. Als aanvulling hierop is de op 1 januari 2009 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving kunnen gemeenten een verbrede zorgplicht op zich nemen. De wetgeving maakt het in tegenstelling tot eerdere wetgeving mogelijk om rioolheffing te heffen voor een zuiveringstechnisch werk dat door de gemeente (of waterschap/derde) wordt beheerd op grond van de Gemeentewet.

 

Nationaal Waterplan

Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is in 2015 vastgesteld door het kabinet in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Nationaal Waterplan formuleert beleid voor de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Binnen de planperiode 2016-2021 gaan realistische maatregelen in de uitvoering die antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op lange termijn verder stappen te zetten.

 

Waterbeheerplan waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat daarbij om de waterkwantiteit en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, de waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepsvaartbeheer.
Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners.

 

Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een eigen verordening 'de Keur' en de legger.

 

De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is.

 

Veelal is voor ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerpen van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel 'Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak' en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels van afvoeren van hemelwater.

 

Gemeentelijk beleid

De Structuurvisie Breda 2030, het Verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan en het Hemel- en grondwaterbeleid vormen het beleidskader voor water op gemeentelijke niveau. De zorgplichten hemel- en grondwater zijn in het door de gemeenteraad vastgestelde Hemel- en grondwaterbeleidsplan uitgewerkt. Het hemel- en grondwaterbeleid is gericht op het nastreven van de oorspronkelijke natuurlijke situatie. Hiervoor gelden eisen ter voorkoming van (hemel- of grond)wateroverlast (veiligheidseisen) en eisen ter voorkoming van achteruitgang van het natuurlijk (hemel- en grond)watersysteem (duurzaamheidseisen). In alle gevallen geldt zuiveren waar het moet vanuit de gewenste waterkwaliteit.

 

Het hemel- en grondwaterbeleid van de gemeente Breda kort samengevat:

  1. Dit beleid is van toepassing voor lozing op de riolering én oppervlaktewater. Bij lozing op oppervlaktewater is ook het beleid van Waterschap Brabantse Delta van toepassing;

  2. Bij elke (her)ontwikkeling dient het water van kleine buien plaatselijk te worden verwerkt (in plaats van directe afvoer naar de riolering) in het kader van het duurzaamheidsprincipe;

  3. Voor een toename van verhard oppervlak gelden zwaardere eisen, ook extreem zware buien moeten ter plaatse kunnen worden opgevangen om wateroverlast te beperken, het veiligheidsprincipe;

  4. Grondwater leidt niet tot structurele grondwateroverlast en vormt geen belemmering voor het grondgebruik;

  5. (Geo)hydrologisch onderzoek is nodig en geeft inzicht in de mogelijkheden en beperkingen;

  6. De systeemkeuze en uitgangspunten worden in een rapportage vastgelegd en onderbouwd.

 

Watertoets

Sinds 1 november 2003 is het wettelijke verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

 

Verhard oppervlak

In de opzet van deze wijk is uitgangspunt dat er geen HWA van de particuliere percelen afstroomt, maar dat al het water op de percelen blijft.

Omdat dit in de praktijk niet haalbaar is gebleken is recent een minimale HWA aangelegd in de berm van de Patrijzenlaar om de overloop van de waterbergingen op de percelen af te kunnen voeren. Deze HWA is niet bedoeld voor de basisafvoer van de percelen.

Kortom al het hemelwater moet verwerkt worden op het perceel. Alleen voor de overloop van de waterberging (dus voor teveel aan water boven de bergingsopgave) mag een aansluiting worden aangevraagd.

 
Conform gemeentelijk beleid moet voorzien worden in waterberging op het eigen perceel die voldoet aan de norm van 78 liter per m2 verharding (100% dakverharding en 50% tuin). Dit is met een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

 

Afvalwater

De woning zal conform de situatie bij de omliggende woningen, aangesloten worden op het bestaande rioleringsstelsel van de wijk Nieuw Wolfslaar.

 

Waterkwaliteit

Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen, wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Dit houdt in dat het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout voorkomen dient te worden.

 

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.10 m.e.r. - beoordeling

Besluit milieueffectrapportage

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

 

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de D-lijst en die een omvang heeft beneden de drempelwaarden, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-Richtlijn milieueffectbeoordeling.

 

Onderzoek

Beoordeling Drempelwaarde D-lijst

In het plangebied is sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een klein stedelijk ontwikkelingsproject. Het bouwen van een woning valt onder de activiteit D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. waarvoor de term 'stedelijk ontwikkeling' geldt. De drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit van D.11.2 in bijlage II van het besluit vermeld:

  1. Een oppervlakte van 100 ha of meer;

  2. Een aangesloten gebied;

  3. 2000 of meer woningen.

De ontwikkeling ligt ver beneden de drempelwaarden zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.

 

Gevoelige gebieden

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen.

 

Er is dus geen sprake van significante nadelige effecten voor het milieu.

 

Milieugevolgen

In voorgaande paragraven van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid, luchtkwaliteit etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen.

 

Conclusie

Het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.

HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE ASPECTEN

 

6.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan sluit wat betreft de juridische regelgeving aan op de regelingen van het bestemmingsplan 'Nieuw Wolfslaar' van de gemeente Breda.

 

6.2 Systematiek van de regels

De planregels zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012).

Uiteraard is de mogelijk tot het leveren van maatwerk opgenomen om de specifieke eisen die een gebied stelt aan de bestemmingsplanregeling te kunnen verwerken. Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP 2012 en IMRO 2012) vastgelegd welke kleuren, lijnen, symbolen e.d. toegepast dienen te worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht.

 

6.3 Toelichting op de bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot.

 

Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 

Artikel 3 Wonen

De op de verbeelding voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en een beroep aan huis waaraan bepaalde voorwaarden zijn verbonden. Daarnaast zijn bijbehorende voorzieningen zoals tuinen, erven en parkeervoorzieningen toegestaan.

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 4 Anti-dubbelteregel

In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende bouwvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen.

 

Artikel 5 Algemene bouwregels

In dit artikel staan de algemene regels voor bebouwing, algemene bebouwingspercentages, bouwhoogtes en toegestane overschrijdingen door ondergeschikte bouwwerken.

 

Artikel 6 Algemene gebruiksregels

In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik.

 

Artikel 7 Algemene procedureregels

In dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen over welke procedures wanneer gevolgd moeten worden.

 

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 8 Overgangsrecht

Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind.

 

Artikel 9 Slotregel 

Het laatste artikel 'Slotregel' geeft de officiële naam van het plan aan, wanneer naar het plan wordt verwezen. De planregels kunnen worden aangehaald onder de naam: Bestemmingsplan 'Nieuw Wolfslaar, Patrijzenlaar tussen nrs 11 en 15.'

 

HOOFDSTUK 7 UITVOERBAARHEID

 

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief en bevindt zich op particulier terrein. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente ten behoeve van de kosten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over het in de plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform de Wro te worden opgesteld.

 

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan is in het kader van het zogenoemde vooroverleg, ex. artikel 3.1.1 Bro toegezonden naar bestuurlijke instanties, waarbij de gelegenheid wordt geboden om reactie te geven op het plan.

 

Er zijn reacties ontvangen van de provincie Noord-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant. Deze reacties zijn bijgevoegd in bijlage 3.

 
Provincie Noord Brabant
Het voorontwerp bestemmingsplan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap geeft aan dat conform het gemeentelijk beleid de waterberging op eigen terrein plaats zal moeten vinden. Het bestemmingsplan is op basis van deze reactie aangepast.

Veiligheidsregio Midden- en West Brabant
De Veiligheidsregio geeft aan dat het plangebied voldoet aan de criteria van het standaardadvies. Brandkaan op korte afstand aanwezig.

 

Het concept bestemmingsplan 'Nieuw Wolfslaar, Patrijzenlaar ong.' wordt voor eenieder ter inzage gelegd voor het indienen van zienswijzen.De procedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb wordt voor dit bestemmingsplan gevolgd.