Gemeente Breda

Planteksten

Op deze pagina vindt u de planteksten behorende bij het plan Ginneken, Fatimastraat 144.

Toelichting


 

Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

1.2 Ligging en plangrenzen

1.3 Vigerend bestemmingsplan

1.4 Leeswijzer

HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse

2.1 Inleiding

2.2 Ruimtelijke structuur

2.3 Functionele structuur

2.4 Cultureel erfgoed

HOOFDSTUK 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

3.2 Rijksbeleid

3.3 Provinciaal beleid

3.4 Gemeentelijk beleid

3.5 Duurzaamheid

HOOFDSTUK 4 Doelstelling van het bestemmingsplan

4.1 Doelstelling

4.2 Stedenbouwkundige opzet

4.3 Verkeer en parkeren

HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap

5.1 Inleiding

5.2 Bodem

5.3 Water

5.4 Cultureel erfgoed

5.5 Ecologie

5.6 Bedrijven en milieuzonering

5.7 Geluid (wegverkeerslawaai)

5.8 Luchtkwaliteit

5.9 Externe veiligheid

5.10 Kabels en leidingen

5.11 Duurzaamheid

5.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding

6.2 Hoofdopzet

6.3 Regels

HOOFDSTUK 7 Economische uitvoerbaarheid

7.1 Inleiding

7.2 Toepassing grondexploitatiewet

7.3 Financiële haalbaarheid

HOOFDSTUK 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Inleiding

8.2 Procedure

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding en doel

Tussen de Fatimastraat en de Prins Hendrikstraat te Breda ligt een open terrein. Voorheen was hier Antonissen interieurbouw gevestigd. Vanwege brand en navolgende sloopwerkzaamheden ligt het terrein sinds enkele jaren braak. Om te komen tot een kwalitatieve impuls van het gebied en te voorzien in de behoefte naar woningen in Breda, beoogd SB invest B.V. daarom ter plaatse te voorzien in de realisatie van 8 twee-onder-één-kapwoningen. De gemeente Breda heeft een positief principestandpunt ingenomen ten aanzien van dit initiatief.

 

Voor de gronden vigeert thans het bestemmingsplan "Ginneken" van de gemeente Breda, zoals vastgesteld d.d. 15 maart 2012. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Bedrijf' en 'Verkeer'. Tevens ligt op het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Het realiseren van de woningen is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan, nu de gronden ter plaatse niet bestemd zijn ten behoeve van het 'wonen'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient derhalve een nieuw bestemmingsplan voor het plangebied opgesteld te worden. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische basis voor de voorgenomen ontwikkeling.

 

1.2 Ligging en plangrenzen

Ligging

Het plangebied is gelegen aan de Fatimastraat. Deze straat vormt de grens tussen de wijk 'Ginneken' en de wijk 'Blauwe Kei'. Ter hoogte van het plangebied kenmerkt de omgeving zich door een mix van wonen en bedrijvigheid. Deze bedrijvigheid is voornamelijk geconcentreerd tussen de Fatimastraat en de Prins Hendrikstraat. De wijdere omgeving wordt gekenmerkt door hoofdzakelijk een woonfunctie met daartussen enkele groen- en detailhandelsvoorzieningen.

 

Begrenzing

Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Ginneken, sectie I, perceelnummers 8960, 9002, 9003 en 10556. Het plangebied wordt noordelijk begrensd door woningen gelegen aan de Gaffelstraat en bedrijfsbebouwing en woningen aan de Fatimastraat. Voorts wordt het plangebied oostelijk begrensd door percelen behorend bij de woningen aan de Fatimastraat 154 t/m 170, zuidelijk door bedrijfsbebouwing aan de Fatimastraat 178 en westelijk door percelen behorend bij de woningen aan de Prins Hendrikstraat 141 t/m 165.

 

 [image]

Luchtfoto met weergave plangebied en kadastrale percelen. Bron: cyclomedia, 2018.

 

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Toetsingskader

Het vigerende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan "Ginneken" van de gemeente Breda, zoals vastgesteld d.d. 15 maart 2012. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Bedrijf' en 'Verkeer'. Tevens ligt op het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

 

 [image]

Uitsnede vigerend bestemmingsplan "Ginneken" met rood omkaderd het plangebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2018.

 

Beoordeling

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 die zijn genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten met daarbij behorend groen, parkeren en water. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden, geluidbeperkende voorzieningen parkeren. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Het realiseren van de woningen is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan, nu de gronden ter plaatse niet bestemd zijn ten behoeve van het 'wonen'.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan "Ginneken". Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken.

 

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is onderdeel van het bestemmingsplan "Ginneken, Fatimastraat 144". Andere onderdelen van dit bestemmingsplan zijn de verbeelding en de regels. De toelichting is opgebouwd uit de volgende hoofdstukken:

  • In hoofdstuk 2 zijn de ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied opgenomen.

  • In hoofdstuk 3 is het relevante ruimtelijke provinciale en gemeentelijke beleid beschreven.

  • In hoofdstuk 4 worden de doelstellingen van het bestemmingsplan genoemd.

  • In hoofdstuk 5 komen de sectorale milieuaspecten aan bod.

  • In hoofdstuk 6 is de juridische planbeschrijving opgenomen. In dit hoofdstuk wordt de wijze van bestemmen uiteengezet en is een toelichting gegeven op de regels van het bestemmingsplan.

  • In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven.

  • In hoofdstuk 8 is het communicatieproces opgenomen.

 

 

HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse

 

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn achtereenvolgens de ruimtelijke structuur en de functionele structuur van het plangebied uiteengezet. Ook wordt in onderhavig hoofdstuk ingegaan op het cultureel erfgoed.

 

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Breda, in het oosten van de wijk Ginneken. Ginneken betreft een (rustige) stadswijk met diverse winkels en voorzieningen op loopafstand van de woningen. Het beslaat in hoofdzaak een braakliggend terrein welke nagenoeg volledig verhard is. Het plangebied is afgesloten door middel van hekwerk en daarom ontoegankelijk.

 

De Fatimastraat - waar het plangebied aan grenst - vormt de grens van de wijk Ginneken. De Fatimastraat is een drukke doorgaande weg die de kern Ulvenhout verbindt met het zuiden van Breda.

De bebouwing aan de zijde van de Fatimastraat wordt gekenmerkt door een jaren '70/'80 bouwstijl van eengezinswoningen, bestaande uit 2 bouwlagen met een kap. De bebouwing aan de Prins Hendikstraat betreft voornamelijk karakteristieke woningen uit de jaren '30. Aan weerszijden van het plangebied is de bebouwing ongeveer 9 tot 10 meter hoog.

 

De ruimtelijke structuur binnen het plangebied wordt in de huidige situatie grotendeels bepaald door de aangrenzende bebouwing en bijbehorende erfafscheidingen. Aangrenzende bebouwing betreft in oostelijke en westelijke richting aaneengebouwde burgerwoningen. Ook aan de noordzijde betreft de bebouwing inmiddels woonbebouwing. De voormalige bedrijfsbebouwing is hier omgevormd naar 'wonen' met behulp van het bestemmingsplan "Herziening diverse locaties in Breda 2016". Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan bedrijfsbebouwing. Het plangebied ligt te midden van deze bebouwing en vormt daarmee als het ware een binnenplaats. Enigste toegang tot het plangebied wordt gevormd door rechtstreekse ontsluiting op de Fatimastraat en de Gaffelstraat.

 

2.3 Functionele structuur

Het plangebied is thans niet in gebruik ten behoeve van een specifieke functie. De directe omgeving wordt gekenmerkt door woningen en enkele bedrijven. Het gaat dan om lichte bedrijvigheid, bijvoorbeeld een cafetaria en viswinkel aan de Prins Hendrikstraat, diverse detailhandel aan het Valkeniersplein en een automaterialenwinkel aan de Fatimastraat.

 

2.4 Cultureel erfgoed

In de nota 'Erfgoed in context ErfgoedVisie Breda 2008-2015' is vastgesteld dat het Bredase erfgoed de basis vormt van de Bredase identiteit en tevens voor ruimtelijke ontwikkelingen in Breda. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. In deze toelichting worden de aanwezige cultuurhistorische waarden in beeld gebracht en wordt aangegeven hoe deze waarden beschermd worden.

 

Lange tijd was binnen het plangebied geen sprake van bebouwing. Omstreeks midden jaren '60 is Ginneken ter hoogte van wat nu de Fatimastraat is richting het oosten uitgebreid en is ook binnen het plangebied de eerste vorm van bebouwing ontstaan. Deze bebouwing bleef aanwezig tot eind 2013, totdat deze vanwege brand verloren is gegaan.

 

 [image]

Historisch kaartmateriaal omgeving plangebied aan de Fatimastraat. Het plangebied is globaal geduid met een blauwe contour. Bron: topotijdreis.nl, 2018.

 

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Binnen het plangebied ligt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van de 'Baronie'.

 

 

HOOFDSTUK 3 Beleidskader

 

3.1 Inleiding

De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante ruimtelijke beleid samengevat.

 

3.2 Rijksbeleid

 

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012

Toetsingskader

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies.

 

Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

 

Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen.

 

Beoordeling

Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt (met uitzondering van de ligging in een radarverstoringsgebied). Uitsluitend het nationale belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', als vervat in de 'ladder voor duurzame verstedlijking', is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt navolgend getoetst.

 

3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012

Toetsingskader

Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen.

 

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

 

Beoordeling

Op 1 juli 2016 is een wijziging van het Rarro (periodieke actualisatie en herstel van enkele gebreken, 6e wijziging) in werking getreden. Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locatie Herwijnen en Woensdrecht. In een gebied rondom dit radarstation moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom het radarstation mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In onderhavig radarverstoringsgebied is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat en er wordt ook geen planologisch kader geboden voor het oprichten van windturbines. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation. Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.

 

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2017

Toetsingskader

Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de 'ladder voor duurzame verstedelijking' als een 'open norm' is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde 'overzichtsuitspraak' gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' concreet worden toegepast.

 

Beoordeling

Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de 'ladder' verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de 'ladder' niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' worden voldaan.

  1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?

  2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling?

  3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling?

  4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied?

  5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

 

1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?

Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

 

Het onderhavige ruimtelijk besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 8 woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang niet als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' hoeft niet verder te worden doorlopen.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet is aan te merken als 'stedelijke ontwikkeling'. De 'Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling.

 

3.3 Provinciaal beleid

 

3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) - partiële herziening 2014, 2014

Toetsingskader

De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - partiële herziening 2014 (SVRO 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014.

 

Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is doorvertaald in de regels van de Verordening ruimte 2014. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Het doel dat centraal staat in de SVRO is een goede woon-, werk- en leefomgeving voor inwoners en bedrijven in Noord-Brabant.

 

Beoordeling

Op de structurenkaart van de SVRO 2014 is het plangebied gelegen binnen de structuur 'Stedelijke structuur' met als perspectief 'Stedelijk concentratiegebied'.

 

 [image]

Uitsnede Structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening met het plangebied aangeduid met een gele ster. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2018.

 

In het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen. Het stedelijk netwerk BrabantStad, bestaande uit de steden Eindhoven, Helmond, 's-Hertogenbosch, Tilburg en Breda, vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Het biedt een (hoogwaardige) stedelijke omgeving voor wonen, werken en voorzieningen. De vijf grote steden van BrabantStad ontwikkelen zich tot (hoog)stedelijke centra voor wonen, werken en voorzieningen. Dit komt in het bijzonder tot uitdrukking in de intensivering van verstedelijking in de zones langs infrastructuurassen en in de stationsgebieden. Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van 8 grondgebonden woningen. Gelet op de voortrekkersrol van Breda, is het logisch dat wordt uitgebreid in de kwantitatieve woningvoorraad. Het stedelijk concentratiegebied vangt immers per saldo het migratieoverschot van de hele provincie op. Gelet hierop is het initiatief passend binnen de SVRO. Gesteld kan worden dat daarmee aan de uitgangspunten van de Structuurvisie wordt voldaan.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale structuurvisie.

 

3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant, 2018

Toetsingskader

In de SVRO zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de komende periode aangegeven. Daarin is voor de doelen en ambities die bereikt moeten worden per onderwerp aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten. In een aantal gevallen is gekozen voor het instrument 'planologische verordening', bekend als de "Verordening ruimte".

 

Op 8 juli 2017 heeft Provinciale Staten de gewijzigde versie van de Verordening ruimte Noord-Brabant vastgesteld. Op 11 juli 2017 heeft Gedeputeerde Staten een aanvullende wijziging vastgesteld. Per 31 juli 2018 is een geconsolideerde versie van de verordening beschikbaar met daarin alle actuele regels verwerkt. Deze versie vormt het toetsingskader.

 

De Verordening ruimte Noord-Brabant bevat zowel algemene regels (o.a. over de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit) als gebiedsgerichte regels. Bij de gebiedsgerichte regels is vervolgens een onderscheid gemaakt naar 'structuren' (basisregels) en 'aanduidingen' (aanvullende of afwijkende regels ten opzichte van de basisregels of andere aanduidingen).

 

Beoordeling

Voorliggend plangebied is op de integrale plankaart van de Verordening ruimte Noord-Brabant gelegen binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'.

 

 [image]

Uitsnede kaartbeeld 'Stedelijke ontwikkeling' van de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant met het plangebied aangeduid met een gele ster gelegen binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2018.

 

Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Verordening. Er moet ten eerste getoetst worden aan de geldende regels voor de opgenomen structuren en aanduidingen. Voor het overige moet getoetst worden aan de algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit uit artikel 3 Verordening ruimte (Vr). Navolgend wordt deze toetsing uitgevoerd.

 

Hoofdstuk 3: Structuren

Artikel 4: Bestaand stedelijk gebied – Artikel 4.3: Nieuwbouw van woningen

Toetsingskader

Een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling is uitsluitend gelegen in bestaand stedelijk gebied. De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop de afspraken die daarover zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg worden nagekomen en hoe de beoogde nieuwbouw zicht verhoudt tot deze afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.

 

Beoordeling

Onderhavig plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied en voorziet in nieuwbouw van 8 woningen. Er dient een verantwoording te worden opgenomen over hoe onderhavige nieuwbouw zich verhoudt tot de harde plancapaciteit en over hoe afspraken daarover in het regionaal ruimtelijk overleg worden nagekomen.

 

De regionale afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda Wonen 2017. Daarin is aangegeven dat de bestaande harde plancapaciteit onvoldoende is om aan de regionale doelstellingen te voldoen. De totale harde plancapaciteit bedraagt 70% van de totale woningbouwopgave voor de gemeente Breda. Met onderhavig plan wordt extra capaciteit toegevoegd. Derhalve past het plan binnen de regionale afspraken en daarmee voldoet het plan aan artikel 4.3 van de Verordening ruimte.

 

 [image]

Woningbouwcapaciteit en -opgaven. Uitsnede Regionale Agenda Wonen 2017, regio West-Brabant, waarin capaciteit en opgaven voor de gemeente Breda rood zijn omkaderd.

 

Conclusie

Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 en is dus in zoverre in lijn met de Verordening Ruimte van de provincie.

 

Hoofdstuk 2: Algemene regels

Artikel 3.1: Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

Toetsingskader

In de algemene regels voor de bevordering van ruimtelijke kwaliteit (artikel 3.1). is opgenomen dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling een verantwoording bevat dat:

  1. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;

  2. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

 

Ad 1. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit dient het bestemmingsplan een verantwoording te bevatten waaruit blijkt dat:

  1. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;

  2. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;

  3. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald.

 

Ad 2. Het principe zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  1. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

  2. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden;

  3. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

  4. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd.

 

Beoordeling

Voorwaarden ad 1:

  1. de toelichting dient een verantwoording te bevatten waaruit blijkt hoe rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving. In hoofdstuk 5 van onderhavige toelichting wordt beargumenteerd waarom er geen belemmeringen zijn ten aanzien van deze aspecten;

  2. de toelichting dient een verantwoording te bevatten waaruit blijkt hoe de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft. Het onderhavige initiatief behelst de realisatie van 8 woningen op een inbreidingslocatie in Breda. Aldus wordt ter plaatse extra woonfunctie toegevoegd. In de directe omgeving van het plangebied is voornamelijk een woonfunctie aanwezig. De beoogde woonfunctie past om die reden in de omgeving. Qua bouwmassa en situering wordt aansluiting gezocht bij bestaande woningen die direct grenzen aan het plangebied. Om die reden past de omvang van de beoogde bebouwing in de omgeving. De omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling is beperkt en tast de ruimtelijke structuur en uitstraling van Breda niet aan. Het is niet waarschijnlijk dat de realisatie van 8 woningen binnen het stedelijk gebied van Breda nadelige effecten met zich mee brengt voor de volksgezondheid. De effecten van het planvoornemen ten aanzien van het milieu worden besproken in hoofdstuk 5;

  3. de toelichting dient een verantwoording te bevatten waaruit blijkt hoe een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd. Ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de reeds bestaande Fatimastraat. Ten aanzien van parkeren wordt in hoofdstuk 4 de parkeerbalans beschreven. Er wordt voorzien in voldoende parkeercapaciteit in het plangebied.

 

Voorwaarden ad 2:

  1. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied dient gebruik te maken van een bestaand bouwperceel. Onderhavig initiatief is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van Breda;

  2. enkel onder voorwaarden is uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag toegestaan. In casu wordt het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag met onderhavige ontwikkeling niet uitgebreid;

  3. in geval van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te zijn gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking is in paragraaf 3.2.3 getoetst;

  4. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.

 

Conclusie

Het onderhavige planvoornemen voldoet aan de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

 

 

3.4 Gemeentelijk beleid

 

3.4.1 Structuurvisie Breda 2030, Keuzes maken in een dynamische tijd, 2013

Toetsingskader

De structuurvisie "Breda 2030, keuzes maken in een dynamische tijd", vastgesteld door de raad op 26 september 2013, bestaat uit een visie en een beleidsuitwerking. De visie gaat in op de zes kernwaarden, het fundament en de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor Breda. In de beleidsuitwerking wordt per thema aangegeven welke koers de gemeente Breda wil varen.

 

Visie

Binnen de visie wordt aangegeven dat Breda zes kernwaarden hanteert, namelijk:

  1. Ondernemende en toegankelijke kernstad in een Europese regio;

  2. Onderwijsstad en ruimte voor vernieuwend ondernemersschap;

  3. Gastvrijheid centraal: ontmoeten, winkelen, ontspannen én plezierig zaken doen;

  4. Stad, dorp en buitengebied horen bij elkaar;

  5. Cultureel erfgoed en de creatie van nieuwe waarden;

  6. De menselijke maat en participatie.

Voor onderhavig plangebied is met name de kernwaarde 'Stad, dorpen en buitengebied horen bij elkaar' en 'Cultureel erfgoed en de creatie van nieuwe waarden' van belang. Ten aanzien van deze kernwaarde hecht de gemeente Breda veel waarde aan de grote verscheidenheid aan woonsferen en woonmilieus. Bovendien beschikt Breda over een gevarieerd buitengebied. Een duurzame samenhang tussen het stedelijk gebied en buitengebied blijft een belangrijk uitgangspunt voor de toekomst.

 

Het fundament voor de ruimtelijke visie is dat Breda een compacte en duurzame stad nastreeft, waarbij ook ruimte is voor initiatieven vanuit onderop. Compact wil zeggen dat ontwikkelingen geconcentreerd worden binnen de huidige stedelijke grenzen, en er geen verdere stedelijke uitbreiding plaats zal vinden. Doel is om de huidige kwaliteit van de stad te behouden en te versterken en in het buitengebied de focus te leggen op natuur en landbouw. Duurzaam betekent niet alleen aandacht voor het milieu, maar het principe volgen van de drie P's: People (mensen, sociale aspecten), Planet (milieu en natuurwaarde) en Profit (winst en waarde). Bij een ontwikkeling moeten deze drie factoren in balans zijn. Ruimte voor initiatief is het derde fundamentele uitgangspunt. In de huidige tijden zal ontwikkeling op een andere manier tot stand komen; niet alleen grote projecten van bovenaf, maar ook kleinschaligere initiatieven uit de stad, van onderaf.

 

Op basis van de kernwaarden en het fundament zijn drie hoofdlijnen voor de (ruimtelijke) ontwikkeling van Breda uitgezet: Breda Markstad (planet), Bredaas Mozaïek (people) en Knooppunt Breda (profit). Voor onderhavig planvoornemen is vooral het Bredaas Mozaïek van belang. Het mozaïek stelt de diversiteit aan gebiedskarakteristieken als kwaliteit voor de stad. De lokale karakteristieke en behoeften van de dorpen, buitengebiedsdelen en stadswijken van Breda staan centraal. De historische linten verbinden de mozaiëkstukken met elkaar en zijn vaak drager van de gebiedskarakteristiek.

 

Beleidsuitwerking 'Wonen in Breda'

Breda beschikt over een grote diversiteit en aantrekkelijke historisch woonmilieus zoals bijvoorbeeld het Ginneken en de vooroorlogse wijk Belcrum. Daarnaast beschikt Breda ook over zeer aantrekkelijke landelijk dorpse woonmilieus. Om betere regie op de woningmarkt te kunnen voeren is een opdeling in woonsferen van belang. Ook functieveranderingen kunnen een bijdrage leveren aan huisvestingsmogelijkheden (leegstand kantoren, winkels, scholen, buurthuizen) en het behouden van beeldbepalende panden in de stad. In de huidige planvoorraad zitten veel grote koopappartementen en duurdere grondgebonden woningen. Er is een mismatch tussen vraag en aanbod van woningen, er moet gewerkt worden aan het ombuigen van de plannen. Het afstemmen van het woningaanbod op de woonvraag is een opgave voor markt en overheid. De gemeente voert de regie op het programma en zal samen met andere partijen en bewoners richting geven aan de projecten waarop wordt ingezet. Zij heeft hierbij vooral een regisserende, stimulerende en faciliterende rol. Vertaald naar de bestaande en nieuwe woningvoorraad, geven de accenten voor het woonbeleid ten aanzien van nieuwbouw het volgende beeld:

  • Kleinschalig en verspreid over alle woonsferen en woonmilieus;

  • Ruimte voor zelfbouw;

  • Inzetten op functiemenging;

  • Versterken karakter bestaande woonmilieus (gemêleerd);

  • Monitoring ontwikkeling vraagzijde en effecten realisatieteam;

  • Faseren en doseren grootschalige locaties;

  • Verzamelopgave vitaliteit dorpen.

 

Beoordeling

Het onderhavige initiatief voorziet in de realisatie van 8 twee-onder-één-kapwoningen op een braakliggend terrein in Breda. Met de beoogde herontwikkeling wordt verdere verloedering binnen het plangebied voorkomen, hetgeen de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving ten goede komt. Dit betreft tevens één van de speerpunten uit het woonbeleid, namelijk het versterken van het karakter van bestaande woonmilieus. De ontwikkeling is voorzien op een inbreidingslocatie. Verdere stedelijke uitbreiding wordt voorkomen waarmee de stad aldus compact blijft.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling past binnen het beleid zoals verwoord in de gemeentelijke structuurvisie.

 

3.4.2 Structuurvisie Bedrijventerrein Breda 2020

Toetsingskader

Voldoende en kwalitatief up-to-date bedrijventerreinen zijn van groot (sociaal) economisch belang voor Breda. Bedrijventerreinen vormen één van de belangrijkste vestigingsmilieus voor bedrijven. Circa 1.400 bedrijfsvestigingen zijn op de Bredase terreinen te vinden, goed voor een derde (30.000 banen) van de totale werkgelegenheid in de gemeente. De komende jaren wil de gemeente Breda doorgroeien in inwonersaantallen en werkgelegenheid. De banengroei dient met name te worden gerealiseerd in kansrijke sectoren als, groothandel/logistiek, kennisindustrie en hospitality. Om deze ambities waar te kunnen maken en daarmee de lokale en regionale economie te stimuleren, is voldoende ruimte voor economische activiteiten noodzakelijk. De gemeente Breda wil daarom in de periode tot 2020, over kwantitatief en kwalitatief voldoende bedrijventerreinen te beschikken. De 'Structuurvisie Bedrijventerrein Breda 2020' geeft richting de vraag waar Breda de vraag naar bedrijventerreinen in de periode tot 2020 gaat accommoderen.

 

Beoordeling

Het onderhavige plangebied is gelegen op een bedrijfslocatie. Met de realisatie van grondgebonden woningen gaat een deel van dit bedrijventerrein verloren, hetgeen tegenstrijdig is met de ambitie om voldoende ruimte voor economische activiteiten te waarborgen. Het verlies aan areaal is echter beperkt. Bovendien is blijkens de structuurvisie het plangebied gelegen binnen een transformatiegebied. In deze gebieden vindt omvorming plaats door middel van functieverandering. Transformatie van bestaande, verouderde bedrijventerreinen of bedrijfslocaties naar vooral woonfuncties is aldaar een belangrijke factor tot en met 2020. Aldus is onderhavig initiatief in lijn met de structuurvisie.

 

 [image]

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling past binnen het beleid zoals verwoord in de gemeentelijke structuurvisie.

 

3.4.3 Woonvisie Breda - Wonen in een dynamische tijd

Toetsingskader

In vervolg op de Structuurvisie Breda 2030 heeft de gemeenteraad op 19 december 2013 de Woonvisie Breda vastgesteld. Kernthema’s zoals benoemd in de structuurvisie zijn uitgewerkt in de woonvisie. Deze woonvisie beschrijft de nieuwe ontwikkelingen in het woongebied op een stedelijk en richtinggevend niveau.

 

In de woonvisie staat het bieden van een passend en duurzaam (t)huis aan iedereen centraal. Om dit te behouden en te versterken wordt uitvoering gegeven aan drie ambities:

  • zorg voor een gedifferentieerd en doordacht woningbouwprogramma, met voldoende flexibiliteit en ruimte voor maatwerk;

  • een comfortabele woningvoorraad die aansluit bij behoeften en wensen van inwoners, nu en in de toekomst. Er wordt ingezet op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad en nieuwbouw;

  • een (t)huis voor alle groepen inwoners. Speciale aandacht is er voor de groep kwetsbare inwoners die niet op eigen kracht in huisvesting kan voorzien.

 

Voor wat betreft nieuwbouw wordt in de Woonvisie Breda aangegeven dat men aan wil sluiten bij de reële vraag naar woningen vanuit bewoners die willen verhuizen. In het kader van stedelijke programmering wordt ingezet op kwalitatieve planaanpassing. Daarmee hoopt de gemeente meer aansluiting te krijgen bij de effectieve vraag. De daadwerkelijke realisatie van plannen staat centraal. De sleutel voor investeringen in nieuwbouw ligt vooral bij partijen in de markt, zoals bouwers, beleggers, corporaties en consumenten. Over de hoeveelheid (nieuwbouw)woningen die de gemeente Breda jaarlijks kan opnemen, worden in het Regionaal Ruimtelijk Overleg afspraken gemaakt.

 

De gemeente Breda streeft naar kwalitatief goede en gedifferentieerde samenstelling van de woningvoorraad, die aansluit bij de diversiteit in de vraag vanuit de verschillende doelgroepen. Het woongenot van bewoners hangt in belangrijke mate samen met de directe woon- en leefomgeving. Instandhouding en verbetering van de woon- en leefsituatie in de wijken vraagt voortdurende aandacht. Bewoners, professionele partijen en gemeente werken daarin vanuit ieders verantwoordelijkheid samen. Een gedifferentieerde woningvoorraad, een gemêleerde bevolking, goede voorzieningen en een adequaat ingerichte en beheerde leefomgeving zijn belangrijke criteria voor de aantrekkelijkheid van de woon- en leefsituatie in de wijken.

 

Beoordeling

Het onderhavige initiatief voorziet in de realisatie van 8 twee-onder-één-kapwoningen op een braakliggend terrein in Breda. Met de beoogde herontwikkeling wordt verdere verloedering binnen het plangebied voorkomen. Opschaling van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse treft daarmee niet enkel het plangebied, maar ook de directe omgeving. Hiermee wordt de woon- en leefsituatie in de buurt verbeterd en daarmee tevens het woongenot. De beoogde nieuwbouw is kleinschalig van aard. Het risico op het niet realiseren van het plan is daarmee laag. Zoals in paragraaf 3.3.2 onderbouwd, past het planvoornemen binnen de kwantitatieve behoefte naar woningen in Breda. Hiermee wordt aldus aangesloten op de effectieve vraag naar woningen.

 

Conclusie

Het planvoornemen is passend binnen het beleid zoals geformuleerd in de Woonvisie Breda.

 

 

3.4.4 Bomenbeleid, 2016

Toetsingskader

De gemeente Breda heeft een nieuwe digitale kaart met waardevolle bomen, bossen en andere groene gebieden, vastgesteld d.d. 14 juli 2016. Aan de hand van criteria - zoals cultuurhistorie, ecologie en het klimaat - zijn samen met lokale natuur- en milieuverenigingen de Bredase bomen zorgvuldig in kaart gebracht. Het nieuwe bomenbeleid zorgt voor adequate bescherming van waardevolle bomen, maar ook bossen en houtsingels. Het brengt vereenvoudiging van de huidige Bomenverordening 2010. Het groen op de nieuwe kaart is in de toekomst beschermd en valt onder de regels van een omgevingsvergunning.

 

Beoordeling

Waardevolle bomen en beplanting in het plangebied is blijkens de 'Bomenkaart' van de gemeente Breda niet aanwezig.

 

Conclusie

Het planvoornemen past binnen de kaders van het bomenbeleid van Breda.

 

3.4.5 Nota Parkeer en Stallingsbeleid Breda, herijking 2013, actualisatie 2016

Toetsingskader

In 2004 is de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda vastgesteld. In deze nota is het beleid rondom bijvoorbeeld de thema's parkeerregulering, parkeernormering en transferpunten benoemd, met als ambitie het parkeergebruik voor de toekomst te optimaliseren. Dit betekent het beter benutten van huidige en te realiseren (gebouwde) parkeervoorzieningen. Als uitgangspunt hierbij geldt dat het optimaliseren van het parkeergebruik niet ten koste mag gaan van zaken als bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. In de nota wordt aangegeven dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden conform de geldende parkeernormen. Deze normen zijn gebaseerd op onder meer de mate van verstedelijking, bereikbaarheidskenmerken van de locatie en specifieke eigenschappen van de functie.

 

Er zijn enkele aspecten uit deze Nota Parkeer- en Stallingsbeleid die aangescherpt dienden te worden, namelijk de systematiek met betrekking tot het instellen van een vergunningenzone en de parkeernormen. Daarom is de nota in 2013 herijkt. De gemeente Breda heeft in juli 2016 een aanvullende wijziging in haar vigerend parkeerbeleid doorgevoerd. De wijziging houdt in dat bij planologische functiewijzigingen in bestaande bebouwing in het gebied binnen de singels van de stad Breda er geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd hoeven te worden indien dit ten opzichte van de bestaande situatie noodzakelijk zou zijn. Indien er wel sprake is van extra bebouwing dient wel voorzien te worden in extra parkeerplaatsen, behorende bij de functie van de extra bebouwing.

 

Beoordeling en conclusie

In onderhavig plan wordt rekening gehouden met de parkeerbehoefte zoals deze is bepaald in de Nota Parkeer en Stallingsbeleid Breda, herijking 2013, actualisatie 2016. De wijze waarop dit gebeurt, is in paragraaf 4.3 uiteengezet.

 

 

3.5 Duurzaamheid

De gemeente Breda heeft met de Klimaatnota 'Steek positieve energie in het klimaat' (augustus 2008) als doelstelling om een CO2-neutraal Breda te bereiken in 2044. Om die ambitie te bereiken, voeren marktpartijen samen met de Gemeente Breda diverse projecten uit, gericht op energiebesparing en op de inzet van duurzame energie.

 

Een van de doelstellingen uit de beleidsnota 'Steek positieve energie in het klimaat' is de realisatie van een energiezuinige gebouwde omgeving. De gemeente Breda hanteert hiervoor de volgende uitgangspunten:

  • De gemeente kiest voor een integrale woonkwaliteit: naast energiebesparende maatregelen wordt ook ventilatie belangrijk geacht inzake gezondheid van bewoners;

  • Woonlasten blijven beheersbaar: kosten van huur- of koopwoningen vanwege energiebesparende maatregelen voor de eindgebruiker zullen lager zijn dan de besparing op energiekosten;

  • Energie Prestatie op Locatie: de gemeente drukt de CO2-reductie bij (vervangende) nieuwbouw vanaf 250 woningen en herstructurering uit in de Energie Prestatie op Locatie (EPL);

  • Afspraken met woningcorporaties: de gemeente Breda maakt afspraken met woningcorporaties om het gemiddelde energielabel van de woning te verbeteren tot minimaal het B-niveau;

  • Duurzaam bouwen: de gemeente acht duurzaam bouwen en materiaalkeuze van belang.

Het laatste uitgangspunt is het voornaamst inzake woningbouwontwikkelingen. Om te voorkomen dat de CO2-uitstoot verder stijgt, wordt energiezuinig gebouwd. Energie maakt integraal onderdeel uit van planvorming rondom alle grote bouwprojecten, waarbij bovenstaande uitgangspunten worden gehanteerd. Bij voorkeur wordt energieneutraal gebouwd, zodat er geen nieuwe CO2-uitstoot bijkomt, maar dit is in de praktijk vanwege hoge kosten vaak nog niet haalbaar. Het streven is altijd de hoogst haalbare EPL binnen de gestelde kaders voor het project.

 

Het streven van de gemeente Breda is om energieneutraal en gasloos te ontwikkelen. De ontwikkelaar en de gemeente treden, buitenom de procedure van onderhavig bestemmingsplan, in overleg inzake de haalbaarheid van de gemeentelijke duurzaamheidsambities met betrekking tot duurzaam bouwen.

 

 

HOOFDSTUK 4 Doelstelling van het bestemmingsplan

 

4.1 Doelstelling

Voor de gronden binnen het plangebied vigeert thans het bestemmingsplan "Ginneken" van de gemeente Breda, zoals vastgesteld d.d. 15 maart 2012. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Bedrijf' en 'Verkeer'. Tevens ligt op het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

 

Het realiseren van de woningen is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient derhalve een bestemmingsplan voor het plangebied opgesteld te worden. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische basis voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plan kent samengevat het doel het juridisch-planologisch mogelijk maken van de realisatie van 8 twee-onder-één-kapwoningen ter hoogte van de Fatimastraat 144 te Breda.

 

4.2 Stedenbouwkundige opzet

 

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is een verkavelingsplan opgesteld. Het verkavelingsplan gaat uit van de realisatie van 8 twee-onder-één-kapwoningen. Er is gekozen voor dit woningtype vanwege de ingebouwde ligging en beperkte ruimte binnen het plangebied. Door ter plaatse te voorzien in een beperkt aantal twee-onder-één-kapwoningen blijft , vanwege het open karakter van de woningen in combinatie met een ruime en groene buitenruimte, de druk op de omgeving beperkt.

 

 [image]

Verkavelingsplan Fatimastraat 144. Bron: Oomen Architecten B.V., 2018.

 

De 8 woningen worden gepositioneerd langs een nieuwe ontsluitingsweg welke wordt aangesloten op de Fatimastraat. Door zowel de woningen als het parkeren te voorzien aan één zijde van deze weg, ontstaat aan de andere kant van de weg ruimte voor een robustere groenstructuur. Gelet op de geïsoleerde ligging van het plangebied komt deze open ruimte ten goede aan het leefklimaat ter plaatse. Parkeren vindt plaats op eigen terrein, nabij de beoogde woningen.

 

Qua maatvoering van de woningen is aangesloten bij hetgeen gebruikelijk in de directe omgeving van het plangebied. Dit betekent dat voor 6 van de woningen in het plangebied de maximum goot- en bouwhoogte is vastgesteld op aan de voorzijde 4,5 respectievelijk 8 meter en aan de achterzijde 3,5 respectievelijk 8 meter. Deze worden uitgevoerd in één bouwlaag met kap. Voor 2 van de woningen in het plangebied is de maximum goot- en bouwhoogte bepaald op 7 respectievelijk 11 meter. Voor de bestaande woningen aan de Fatimastraat geldt dat de nieuwbouw verder komt te liggen van omliggende woonbestemmingen dan hetgeen thans (planologisch) het geval is.

 

4.3 Verkeer en parkeren

 

4.3.1 Verkeer

Het plangebied zal worden ontsloten via de Fatimastraat. Deze weg heeft een snelheidsregime van 50 km/u. Het betreft een doorgaande weg, die de kern Ulvenhout verbindt met het zuiden van Breda. Gelet hierop en gezien de beperkte toename aan voertuigbewegingen per etmaal die de realisatie van 8 grondgebonden woningen teweeg brengt, kan worden gesteld dat de Fatimastraat de toename aan verkeersbewegingen aan kan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de verkeersbewegingen afkomstig van de voorgaande functie zijn komen te vervallen. Er wordt vanaf de Fatimastraat een nieuwe ontsluiting gecreëerd voor de ontsluiting van de 8 woningen. De straat wordt ingericht als woonstraat met een 30 km/u snelheidsregime. De ontsluiting met de Gaffelstraat wordt ingericht als langzaamverkeersverbinding. De garageboxen achter de Gaffelstraat worden via deze weg ontsloten.

 

4.3.2 Parkeren

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding van de "Reparatiewet BZK" op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid.

 

Beoordeling

In 2013 heeft de gemeente Breda de tot dan toe vigerende 'Nota Parkeer- en stallingsbeleid Breda' uit 2004 herijkt. De gemeentelijke nota geeft per functie de toepasselijke parkeernormen aan. Voor het onderhavige plangebied dient volgens de kaart 'deelgebieden parkeernormering' uitgegaan te worden van 'parkeernormen, overig gebied'. Voor dit gebied geldt een parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning. Er dienen aldus afgerond (1,9 x 8) = 15 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd binnen het plangebied. Gelet op het type woning en de groote van het plangebied, is hiervoor ruimte. Bovendien is in het verkavelingsplan rekening gehouden met de realisatie van 16 parkeerplaatsen. In de regels van het onderhavige bestemmingsplan is geborgd dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken tenminste voldaan dient te worden aan dit gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeernormen.

 

Conclusie

In het plangebied is voldoende ruimte om aan de gemeentelijke parkeernormen te kunnen voldoen. Een juridische waarborg is in de regels verankerd.

 

 

HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap

 

5.1 Inleiding

Breda wil een stad zijn waarin mensen graag wonen, werken en recreëren. Leefbaarheid en duurzaamheid zijn hiervoor sleutelbegrippen. Een gezond en veilig woonmilieu is hierbij van groot belang. Daarnaast hebben bedrijven ruimte nodig om zich te ontwikkelen en is voldoende groen belangrijk voor natuurontwikkeling en recreatie. Om dit te kunnen bereiken dient bij ruimtelijke ontwikkelingen integraal naar het te ontwikkelen gebied te worden gekeken en zullen alle belangen zo goed mogelijk op elkaar af gestemd moeten worden.

 

Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbaar en duurzaam Breda dient bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de milieuaspecten die door het plangebied en of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld.

 

5.2 Bodem

Toetsingskader

Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

 

Beoordeling

RPS heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Fatimastraat. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 1. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten besproken.

 

Op basis van het veld- en laboratoriumonderzoek kan wordne geconcludeerd dat de bodem op de locatie Fatimastraat 144 in Breda niet noemenswaardig is verontreinigd. In de bovengrond tot 0,5 m-mv zijn hooguit licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen, PAK en PCB gemeten. De ondergrond van 0,5 tot 2,0 m-mv is niet verontreinigd. Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie aan molybdeen. De resultaten van het bodemonderzoek hoeven geen belemmering te vormen voor het beoogde gebruik.

 

Aanvullend is een tweede grond- en grondwateronderzoek uitgevoerd. De bodeminformatie die naar voren is gekomen tijdens de beoordeling van het verkennendbodemonderzoek vormde de aanleiding daartoe. Uit de bodeminformatie blijkt dat op het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie mogelijk een VOCL-veronteiniging in het grondwater aanwezig is. Door de gemeente Breda is aanvullend onderzoek gevraagd.

 

RPS heeft een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Fatimastraat. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 2. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten besproken.

 

Op basis van het veld- en laboratoriumonderzoek van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodem aan de Fatimastraat 144 in Breda rondom het grondwater plaatselijk licht verontreinigd is met tetrachloorteheen (PER). In de overige bodemmonsters rond het grondwaterniveau zijn geen verhoogde gehalten met PER of overige VOCL-verbindingen aangetoond. Gezien de grondwaterstroming, het verloop van concentraties en het feit dat er geen sterke verontreiniging in de bodem is aangetroffen mag worden aangenomen dat er op de locatie geen sprake is van een VOCL-bron. Wel is er op de locatie sprake van een sterke verontreiniging met PER en een sterk verhoogd gehalte vinylchloride. Omdat de verontreiniging in het grondwater zich op een diepte bevindt van circa 6 m-mv is er geen sprake van een humaan, ecologisch of verspreidingsrisico op de locatie. In overleg met het bevoegd gezag wordt aanvullend grondwateronderzoek niet zinvol geacht omdat het geen informatie verschaft voor het beoogde doel van het onderzoek zijnde het vaststellen van een VOCL-bron op de locatie.

 

Conclusie

Uit het bodemonderzoek van RPS is gebleken dat er voor wat betreft het grondwater geen nader onderzoek noodzakelijk is. Uit de bodeminformatie die bekend is bij de gemeente Breda blijkt dat het gebied mogelijk het grondwater verontreinigd is met VOCL. Met aanvullend bodem- en grondwateronderzoek is aangetoond dat er geen humane risico's zijn voor het bouwproject.

 

5.3 Water

Toetsingskader

In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

 

Beleid provincie Noord-Brabant

Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater.

 

Beleid waterschap Brabantse Delta

De projectlocatie is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 - 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten:

  • het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren;

  • het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte;

  • inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen;

  • helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem;

  • het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen);

  • afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater;

  • een duurzame energiewinning.

 

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

 

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:

  1. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;

  2. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of;

  3. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.

  4. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:

 

Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06

 

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:

  1. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;

  2. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;

  3. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

 

Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat de locatie niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing.

 

Beleid gemeente Breda

De gemeente Breda heeft haar beleid omtrent water vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2014-2018 (vGRP). Hierin is onder meer een samenvatting opgenomen van het hemel- en grondwaterbeleid van de gemeente Breda (‘Een bodem voor water’).

 

Nieuwe ontwikkelingen binnen de gemeente Breda dienen hydrologisch neutraal uitgevoerd te worden. Expliciet betekent dit dat hemelwater niet op de riolering mag worden aangesloten, maar separaat binnen de plangrenzen moet worden verwerkt. Bij een toename van het verhard oppervlak moet de ontwikkelende partij op eigen terrein extreem zware buien kunnen verwerken en schone en vuile waterstromen gescheiden aanleveren tot aan de perceelsgrens. Ter bepaling van het ruimtebeslag en retentiecapaciteit hanteert de gemeente een werknorm van 780 m3 waterberging per hectare toename verhard oppervlak (bui 78 mm in 24 uur). Bij herstructurering (sloop en herbouw) legt de gemeente een verplichting op een deel van het hemelwater te bergen en te infiltreren. Het doel is om 80 procent van de jaarlijkse neerslag lokaal te verwerken door een infiltratievoorziening met een berging van circa 7 millimeter. Voorzieningen die ook hemelwater infiltreren mogen kleiner zijn, als het netto effect maar hetzelfde is. Om de retentiecapaciteit voor een volgende bui weer beschikbaar te hebben moet het hemelwater binnen 3 dagen (op natuurlijke wijze) zijn weggezakt in de bodem. De gewenste ledigingstijd bedraagt echter 24 uur.

 

Beoordeling

Econsultancy heeft een watertoets uitgevoerd. De rapportage daarvan is toegevoegd als bijlage 3. Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland op een hoogte van circa 3,7 meter boven NAP. Uit locatiespecifiek onderzoek blijkt de bodem voornamelijk te bestaan uit zwak tot matig fijn zand. In de ondergrond is vanaf 1,8 m beneden maaiveld tot 2,3 beneden maaiveld een leemlaag aanwezig. Op basis van de aanwezige bodemopbouw, textuur en de aanwezigheid van stoorlagen in de ondergrond zullen de infiltratiemogelijkheden beperkt zijn. De GHG ligt op 1,75 boven NAP. De GHG bevindt zich daarmee op ongeveer 1,95 m beneden maaiveld. Tijdens de grondwaterbemonstering van het milieuhygiënisch grondwateronderzoek is op 5 september 2018 op de locatie een grondwaterstand gemeten van 2,42 m beneden maaiveld.

 

Op basis van de leggerkaart van waterschap Brabantse Delta is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen.

 

De planlocatie is grotendeels verhard. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van 2.400 m2. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen met 1.180 m2. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater is 100% afkoppeling van verhard oppervlak het belangrijkste uitgangspunt. Bij herstructurering (sloop en nieuwbouw) wordt door de gemeente Breda een infiltratievoorziening met een berging van circa 7mm geëist. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal 20 m3 (2.400 m2 x 0,007).

 

In de rondom de planlocatie gelegen wegen is een gemengd rioolstelsel gelegen. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. In de toekomstige bergings- c.q. infiltratievoorziening dient in ieder geval 20 m3 geborgen te kunnen worden. Ten aanzien van de omgang met hemelwater zijn meerdere mogelijkheden van toepassing.

 

Bij het ontwerp van een hemelwatervoorziening dient, mede op basis van de aanwezige leemlagen in de ondergrond, bedachtzaam te worden omgegaan. Geadviseerd wordt om ter plaatse van de toekomstige voorziening(en) de aanwezige leemlaag te verwijderen. De aanwezige zandlagen worden, mede op basis van textuur, wel geschikt geacht voor infiltratie.

 

Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort is, in overleg met de gemeente Breda, een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater bovengronds wordt geborgen in een tijdelijke regenwaterbuffer middels de aanleg van een wadi in de speeltuin. Wanneer het maaiveld ter plaatse van de speeltuin over een oppervlak van 105 m2 met 0,5 m wordt verlaagd kan, bij een talud van 1 op 5, circa 28 m3 water geborgen worden. In een dergelijke situatie staat het water dan tot aan maaiveld. Het totale oppervlak van de speeltuin bedraagt 153 m2 (9 m x 17m). Geadviseerd wordt bij de aanleg van een regenwaterbuffer in de speeltuin voldoende afstand te houden tot de woningen gelegen aan de Fatimastraat (nr. 154 t/m 162). Door de bodem van de buffer lokaal dieper aan te leggen kan over een kleiner oppervlak meer water gebufferd worden.

 

Hemelwater wordt, bij voorkeur, zoveel mogelijk zichtbaar afgevoerd richting de buffer/wadi. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. Op deze wijze wordt bij de verdere planuitwerking water verwerkt conform de uitgangspunten van de gemeente Breda.

Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Het vuilwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Het toekomstige aanbod bedraagt circa 2,4 m3/dag.

 

Conclusie

Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten worden er vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

 

5.4 Cultureel erfgoed

In de nota Erfgoed in context ErfgoedVisie Breda 2008-2015 is vastgesteld dat het Bredase erfgoed de basis vormt van de Bredase identiteit en tevens de basis vormt van ruimtelijke ontwikkelingen in Breda. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. In deze toelichting op het bestemmingsplan wordt het aanwezige cultureel erfgoed (te verdelen in archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed) globaal in beeld gebracht en wordt aangegeven hoe deze waarden beschermd worden.

 

Archeologie wordt in het bestemmingsplan vertaald middels de Waarde Archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed worden vertaald middels de Waarde Cultuurhistorie.

 

5.4.1 Archeologie

Om de archeologische waarden in het gebied te beschermen conform het vastgestelde gemeentelijk beleid, de Monumentenwet 1988, waarin besloten ligt de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007, is de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' opgenomen voor de gebieden die conform de Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 1. Archeologie zijn gekenmerkt als gebieden met een archeologische verwachting anders dan laag. Hetzelfde geldt voor de gebieden van archeologische waarden en gemeentelijke archeologische monumenten. Ter plaatse van gronden met een dubbelbestemming dient voorafgaand aan ontwikkelingen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het archeologisch onderzoek wordt door bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld.

 

Beoordeling

In het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toegekend. Bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 m dient een archeologisch rapport overlegd te worden, waarmee wordt aangetoond dat geen archeologische waarden worden aangetast. In verband met de woningbouw zullen de grenswaarden voor archeologisch onderzoek binnen het plangebied worden overschreden. Om die reden is een programma van eisen opgesteld (bijlage 4) en in september 2018 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Na aanleiding daarvan is het selectiebesluit opgesteld (bijlage 5). In dit selectiebesluit is een deel van het plangebied vrijgegeven.

 

Conclusie

Een archeologisch proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden. Voor de gronden die worden vrijgegeven wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van de verbeelding verwijderd. Voor de overige gronden wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' behouden.

 

5.4.2 Historische geografie

Breda groeide al snel buiten de eerste omwalling van de tweede helft van de dertiende eeuw. Langs de verbindingswegen naar Princenhage, Ginneken en Teteringen ontstonden voorsteden: de Haagdijk, het Ginnekenseinde (nu Ginnekenstraat) en het Gasthuiseinde (nu Boschstraat).

 

Ginneken-dorp bestaat uit een driehoekig pleintje met bomen en pomp, met daaraan huizen. Aan de westhoek staat de oude St.-Laurentius parochiekerk, nu NH-kerk. Even om de zuidhoek staat het raadhuis uit 1792 en wat verder uit de noordhoek domineert de nieuwe grote Laurentiuskerk het beeld. De Ginnekenmarkt ligt aan de oude noord-zuidweg van Breda naar Hoogstraten en verder. Vooral na 1850 is Ginneken naar alle kanten uitgegroeid en uiteindelijk vergroeide het geheel met de stad Breda.

 

Op de kaart van het Mastbos uit 1621 staat de Ginnekenmarkt met de huizen daaraan en de kerk aangegeven. Veel groter was deze nederzetting toen niet. Heel wat gehuchten in Ginneken waren beduidend groter. De Ginnekenakker lag ten zuidoosten van de Markt, rond de kruising Bavelselaan – Allerheiligenweg De oude nederzettingen van Ginneken liggen eigenlijk daaromheen: langs de Ginnekenweg, de Karnemelkstraat, de Overakker (óver de Ginnekenakker) en de Buistelberg. In 1840 was de Ginnekenakker geen openakkergebied, maar geheel in omheinde percelen verdeeld. Of er een vroege nederzetting onder schuil gaat is onbekend.

 

Met het initiatief blijft de historische geografie in tact. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de historische geografische waarden binnen en in de omgeving van het plangebied.

 

5.4.3 Gebouwd erfgoed

Het plangebied bevat geen cultuurhistorisch waardevolle elementen waarmee met onderhavig initiatief afbreuk wordt gedaan. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen en in de omgeving van het plangebied.

 

5.5 Ecologie

 

5.5.1 Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

 

De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

 

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

 

5.5.2 Beoordeling natuurgebieden

Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het 'Ulvenhoutse Bos', welke is gelegen op een afstand van circa 1,7 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.

 

Als bijlage 6 is een AERIUS-berekening toegevoegd. Op basis van de uitgevoerde berekening kan geconcludeerd worden dat bij de te beschermen gebieden geen relevante bijdrage (0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie berekend wordt. Aangezien geen significante negatieve effecten mogen worden verwacht, vormt stikstofdepositie geen belemmering voor de planrealisatie.

 

Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten.

 

Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming wat betreft natuurgebieden. 

 

5.5.3 Beoordeling soortenbescherming

Voor de planlocatie is een quickscan flora & fauna uitgevoerd in september 2018. De rapportage daarvan is toegevoegd als bijlage 7. De quickscan heeft als doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel.

 

 

 [image]

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie en te nemen vervolgstappen

 

Op basis van de onderhavige quickscan flora en fauna dient voor uitvoering van de plannen maatregelen te worden genomen om verstoring van eventueel aanwezige vleermuispopulaties in de bebouwing te voorkomen. In onderhavig geval vindt er mogelijk verstoring plaats door (nachtelijke) werkzaamheden. Verstoring is te voorkomen door de werkzaamheden overdag uit te voeren of zodra er toch in de avonduren gewerkt wordt geen felle belichting (bouwlampen) richting de betreffende bebouwing te richten en door geen steigers te plaatsen langs de bebouwing.

Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën.

 

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.6 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).

 

Beoordeling

De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied wat kan worden gekenmerkt als gemengd gebied. Direct naast woningen komen immers ook andere functies voor, zoals bedrijvigheid en horeca. Bovendien is het plangebied gelegen nabij een drukke doorgaande weg. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

 

De woningen binnen het plangebied bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. In onderstaande tabel is hier een overzicht van gegeven:

 

Bedrijf

Locatie

Milieucategorie

Richtwaarde VNG (uitgaande van gemengd gebied)

Afstand tot plangebied

Bestemming 'Bedrijf'

Fatimastraat 178 e.v.

max. 2

10 meter

0 meter

Restaria Ginnekenees

Prins Hendrikstraat 141

1

0 meter

0 meter

Traterie en visspecialiteiten Noordzee

Prins Hendrikstraat 167

1

0 meter

0 meter

Bestemming 'Detailhandel' en 'Centrum'

Omgeving Fatimastraat, Valkeniersplein en Prins Hendrikstraat

max. 2

10 meter

> 27 meter

 

Zoals blijkt uit de tabel kan enkel niet voldaan worden aan de richtwaarde zoals deze geldt voor de bedrijvigheid ter plaatse van de Fatimastraat 178 e.v.

 

Met betrekking tot de bedrijvigheid aan de Fatimastraat 178 geldt dat het bouwvlak wel direct is gelegen aan de bestemming 'Bedrijf'. Derhalve is door Wematech in een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De rapportage daarvan is toegevoegd als bijlage 8. Specifiek gaat het om de geluiduitstraling van Van Hooydonk ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen aan de Fatimastraat 144 te Breda.

 

De uitgangspunten voor het akoestisch onderzoek zijn gebaseerd op een dossieronderzoek, locatiebezoek, geluidmetingen en op basis van de informatie van de eigenaar van de bedrijfsvoering. De berekende geluidbijdrage (LAr,LT en LAmax) voor de beoogde geluidsituatie is beoordeeld aan de richtwaarden van de VNG-publicatie (en Activiteitenbesluit) en de categorie indeling voor het akoestisch woon- en leefklimaat zoals het RIVM deze hanteert.

 

Uit het onderzoek is gebleken dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen als gevolg van de bedrijfsvoering van Van Hooydonk maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde wordt berekend. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG publicatie.

Als gevolg van de optredende maximale geluidniveaus wordt ten hoogste 53/60/60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode berekend. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 70/65/60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode conform de VNG-publicatie.

 

Als gevolg van de indirecte hinder wordt ten hoogste 28 dB(A) etmaalwaarde berekend ter hoogte van de gevels van de te realiseren woningen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie.

 

Doordat geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer en industrielawaai, is cumulatie van meerdere geluidbronnen niet aan de orde. De ten hoogst berekende geluidbelasting als gevolg van industrielawaai bedraagt 50 dB(A), wat te kwalificeren is als een goed woon- en leefklimaat. Hieruit kan geconcludeerd worden dat sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen.

 

Conclusie

Uit het akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidniveaus en de verkeersaantrekkende werking voldaan wordt aan de normstelling uit de VNG-publicatie. Hierdoor zal ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

 

5.7 Geluid (wegverkeerslawaai)

Toetsingskader

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);

  • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;

  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

 

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

 

Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

 

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

 

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

 

Beoordeling

Het plangebied is gelegen nabij de Fatimastraat, het Valkeniersplein en de Valkeniersstraat. Dit betreffen een wegen met een snelheidsregime van 50 km/u. Het plangebied valt binnen de onderzoekszone van deze wegen. Omdat middels onderhavig initiatief nieuwe geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 9.

 

Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Fatimastraat, de Allerheiligenweg, de Valkenierslaan en het Valkeniersplein de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Het aanvragen van hogere grenswaarden voor deze wegen is niet noodzakelijk. Het treffen van geluidreducerende maatregelen is hierdoor eveneens niet noodzakelijk.

 

Op grond van artikel 3.2 van het Bouwbesluit dient een gevel van een nieuwe woning een geluidwering van ten minste 20 dB te hebben. Omdat in onderhavige situatie het vaststellen van hogere grenswaarden niet aan de orde is (geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB), is op grond van het Bouwbesluit geen nader onderzoek naar de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie benodigd.

 

De geluidbelasting ter plaatse van de woningen varieert van 34 – 46 dB, wat te kwalificeren is als een goed tot zeer goed woon- en leefklimaat. Hiermee kan ter plaatse van de nieuwe woningen in de toekomstige situatie een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.

 

Conclusie

Het aspect geluid (wegverkeerslawaai) vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

5.8 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.

 

De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

 

Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.

 

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

 

Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;

  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;

  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

 

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

 

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

 

De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt:

  • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg;

  • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;

 

Beoordeling

Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 8 grondgebonden woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

 

5.9 Externe veiligheid

 

5.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

 

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd.

 

 [image]

Uitsnede risicokaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster

 

Het plangebied is niet binnen de risicocontouren, noch binnen het invloedgebied van gevaarlelijke inrichting gelegen. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot omliggende inrichtingen zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

 

Conclusie

Het aspect Bevi-inrichtingen vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

 

5.9.2 Transport en externe veiligheid

Toetsingskader

Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

 

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. Voor de bepaling van het groepsrisico is het invloedgebied van belang. Het invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitafstand en omvat voor zowel spoor als weg een gebied van enkele kilometers. De Fatimastraat 144 valt binnen het invloedsgebied van de autosnelweg A27 als het spoortraject Breda-Tilburg. Om die reden dient op basis van artikel 7 van het Bevt ingegaan te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Men hoeft uitsluitend rekening te houden met toxische scenario’s. Veiligheidsvoorschriften bij toxische scenario’s zijn opgenomen in het standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Een standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een afdoende verantwoording van de veiligheidsrisico’s. Dit standaardadvies inclusief de standaard verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 10 toegevoegd aan de toelichting.

 

Beknopte verantwoording bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant

Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden ten tijde van een ongeval zijn de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen van belang. De hulpverleningsdiensten moeten voldoende capaciteit beschikbaar hebben om alle effecten binnen een kort tijdsbestek te kunnen bestrijden.

 

Alle woningen liggen op een kortere afstand dan 200 meter van een brandkraan van 60 m3/h en open water is binnen 2500 meter aanwezig. Voor de onderhavige situatie is de opkomsttijd minder dan 8 minuten, waarmee wordt voldaan aan de norm voor de opkomsttijden uit het Dekkings- en spreidingsplan 2015-2019 van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant ten aanzien van woonfuncties. Om een brand in het plangebied te kunnen bestrijden is het noodzakelijk dat er voldoende primair en secundair bluswater aanwezig is. Voor ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij eveneens een omgevingsvergunning deelzaak bouwen noodzakelijk is, wordt de aanwezigheid van bluswater in het kader van deze vergunning getoetst. Door de centrale ligging van het plangebied, waar reeds in de directe omgeving sprake is van een woonfunctie, is de aanwezigheid van primair bluswater reeds verzekerd. Het plangebied is via het wegennet goed bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten.

 

Gelet op de parkeerdruk verwacht de veiligheidsregio dat de wegen volstaan en dat de bereikbaarheid niet onder druk komt te staan.

 

Conclusie

Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

 

5.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid

Toetsingskader

Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.

 

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding is gelegen op een afstand van circa 1.570 meter tot het plangebied. Er is geen sprake van een risicocontour. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen.

 

Conclusie

Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

 

5.10 Kabels en leidingen

Toetsingskader

De hierna volgende kabels en leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1.

  1. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;

  2. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;

  3. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;

  4. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;

  5. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2.

 

 [image]

Beoordeling

Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig binnen het plangebied of in de directe nabijheid ervan. Onder de reeds bestaande wegen is thans wel riolering aanwezig. Daarnaast zijn onder de bestaande infrastructuur kabels en leidingen aanwezig ten behoeve van onder andere gas, water, elektriciteit en telefonie. Aan de ligging van deze kabels en leidingen en het riool wordt niets veranderd middels onderhavig bestemmingsplan. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.

 

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

 

5.11 Duurzaamheid

Toetsingskader

Een duurzame ontwikkeling stelt eisen aan het energiegebruik en de energiebronnen van de locatie. Breda heeft als doel op termijn een energie neutrale stad te worden. Dit is een stad waarin de energievraag drastisch is afgenomen. De energie die nog nodig is, komt uit energiebronnen die niet opraken, zoals zon, wind, water, biomassa en aardwarmte.

 

Breda kiest voor een duurzame ontwikkeling tot het niveau van een CO2 neutrale stad in 2044. In het uitvoeringsprogramma Klimaat 2017-2020 zijn de volgende opgaven opgenomen:

  • verduurzaming woningbouw: particulieren, corporaties en private verhuurders;

  • verduurzaming energie-infrastructuur inclusief Stadsverwarmingsnet;

  • grootschalige duurzame energieopwekking: wind , zon , bodem en energieopslag;

  • ontwikkeling locaties voor opslagmodules duurzaam opgewekte energie;

  • klimaatadaptatie: integreren in ieder ruimtelijk plan;

  • verduurzaming bedrijven: individuele, branche- en bedrijventerreingerichte aanpak;

  • verduurzaming overheid: gebouwen, openbare verlichting, inkoop;

  • verduurzaming mobiliteit: fiets en elektrisch vervoer.

 

Beoordeling en conclusie

Verduurzaming van de gebouwde omgeving kan extra (buiten)ruimte vergen, bijvoorbeeld door dikkere gevels, energie-installaties en energieopslag en aanleg duurzame energie-infrastructuur. Nieuwbouw dient in 2020 al bijna energieneutraal te zijn. In het kader van duurzaamheid wordt nagestreefd de woningen zodanig te ontwerpen dat het voldoet aan de normen die voor 2020 zijn gesteld. Daarbij wordt gedacht aan:

  • Energiebesparende maatregelen;

  • Duurzame materialen;

  • Verantwoord waterverbruik.

 

5.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:

  1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);

  2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden;

  3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.

 

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 - Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

 

Op 7 juli 2017 is opnieuw een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat een aanmeldnotitie dient te worden opgesteld, op basis waarvan het bevoegd gezag dient te beoordelen of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. In de aanmeldnotitie dienen de effecten van de onderhavige bestemmingswijziging door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld te worden gebracht.

 

Beoordeling

In onderhavige situatie is er sprake van de nieuwbouw van 8 woningen. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het initiatief heeft slechts betrekking op de realisatie van 8 woningen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. In een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is beoordeeld wat de effecten van het initiatief op milieu en natuur zijn. De aanmeldingsnotitie is toegevoegd als bijlage 11 bij onderhavige toelichting. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.

Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010.

 

Conclusie

Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

 

 

HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving

 

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de aanwezige karakteristieken en waarden van het plangebied en de omgeving en de voorgenomen ontwikkeling. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient deze juridisch vertaald te worden. Het aangewezen planologisch instrument hiervoor is het bestemmingsplan. In navolgende paragrafen komt de juridische planbeschrijving aan bod, waarbij allereerst de hoofdopzet van het bestemmingsplan wordt beschreven en daarna de inleidende regels en de bestemmingsregels aan bod komen.

 

6.2 Hoofdopzet

 

6.2.1 Bestemmingsplan algemeen

Een bestemmingsplan bestaat uit regels en de verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het plangebied en de omliggende gebieden.

 

6.2.2 Indeling regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

 

De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

 

De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.

De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • inleidende regels;

  • bestemmingsregels;

  • algemene regels;

  • overgangs- en slotregels.

In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

 

6.3 Regels

 

6.3.1 Hoofdstuk 1 'Inleidende regels'

Artikel 1 'Begrippen'

In het eerste artikel, 'begrippen', worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.

 

Artikel 2 'Wijze van meten'

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.

 

6.3.2 Hoofdstuk 2 'Bestemmingsregels'

Artikel 3 'Groen'

Om de stedenbouwkundige kwaliteit van het woongebied juridisch te verzekeren is het structureel groen in het woongebied bestemd als ‘Groen’. Dit betreft onder meer de groenvoorziening in het oosten van het woongebied en de begeleiding van de weg die vanuit de Fatimastraat en de Prins Hendrikstraat het plangebied in loopt. Naast groenvoorzieningen zijn binnen deze bestemming ook water en waterhuishoudkundige voorzieningen en speelvoorzieningen toegestaan. Ondergeschikt hieraan kunnen tevens onder andere verhardingen worden aangelegd binnen deze bestemming.

 

Artikel 4 'Verkeer'

Deze bestemming is gegeven aan de wegen en gebieden met een functie voor verkeer en verblijf. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

 

Artikel 5 'Wonen'

De gronden waar (de nieuw te realiseren) woningen zijn toegestaan, zijn bestemd als 'Wonen'. Aan huis verbonden beroeps en bedrijfsactiviteiten zijn rechtstreeks toegestaan, mits wordt voldaan aan de in het artikel opgenomen specifieke gebruiksregels. Hierin staan voorwaarden met betrekking tot het oppervlak en de verkeersafwikkeling. Via een omgevingsvergunning kan tevens het gebruik van bijgebouwen voor een aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit worden toegestaan.

 

Binnen de bestemming ‘Wonen’ is wonen de hoofdfunctie. De planregels maken de bouw mogelijk van twee-aaneengebouwde woningen. Op de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan, is de aanduiding ‘bouwvlak’ opgenomen waarbinnen gebouwen mogen worden gerealiseerd. Het aantal hoofdgebouwen is begrensd op 8. In de regels worden eisen gesteld aan onder meer de goot- en bouwhoogte en andere maximale afmetingen van hoofd- en bijgebouwen. Daarnaast mag het bouwperceel voor maximaal 60% worden bebouwd. Bijgebouwen mogen gebouwd worden tot maximaal 6 meter bouwhoogte. De bijbehorende goothoogte bedraagt 3 meter. Voor erfafscheidingen en bouwwerken, geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld speeltoestellen) gelden afwijkende regels en hoogtematen.

 

Artikel 6 'Waarde - Archeologie'

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

 

6.3.3 Hoofdstuk 3 'Algemene regels'

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

 

Artikel 8 Algemene bouwregels

In deze regel is opgenomen dat bestaande (legale) afwijkingen mogen voortbestaan, ondanks dat anders in deze regels is bepaald.

 

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

In dit artikel is het strijdig gebruik geregeld.

 

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

In de algemene afwijkingsregels is een aantal regels opgenomen waarvoor afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Hier is bijvoorbeeld in opgenomen dat er afgeweken mag worden van de in het bestemmingsplan genoemde maten mits deze afwijking niet meer dan 10% bedraagt en technisch noodzakelijk is.

 

Artikel 11 Overige regels

In dit artikel zijn regelingen opgenomen waarmee wordt gewaarborgd dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid en waterbergende voorzieningen worden gerealiseerd.

 

6.3.4 Hoofdstuk 4 'Overgangs- en slotregels'

Artikel 12 Overgangsrecht

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wabo, overgenomen. Het betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

 

Artikel 13 Slotregel

Als laatste is de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.

 

 

HOOFDSTUK 7 Economische uitvoerbaarheid

 

7.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.

 

7.2 Toepassing grondexploitatiewet

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

 

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

 

7.3 Financiële haalbaarheid

Ten behoeve van dit plan is tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk. Met de overeenkomst is de uitvoerbaarheid van voorliggend ontwikkelgericht bestemmingsplan gewaarborgd.

 

 

HOOFDSTUK 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

 

8.1 Inleiding

In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor het voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.

 

8.2 Procedure

 

8.2.1 Participatie

Op 19 september 2018 is van 18:30 - 20:30 een informatieavond in Café De Brave Hendrik georganiseerd inzake het plan Fatimastraat 144. Buurtbewoners en geïnteresseerden zijn per brief van 4 september 2018 daartoe uitgenodigd (zie bijlage 12). De ontwikkelaars hebben samen met de architect het bouwplan en bestemmingsplan toegelicht tijdens deze avond. De gemeente is aanwezig geweest bij de informatieavond.

 

Er was een grote opkomst tijdens de informatieavond. De reacties waren overwegend positief. Gegadigden waren geïnteresseerd in wat er komen gaat. Er zijn wel wat vragen en zorgen geuit tijdens de informatieavond. Onderstaand een verslag van de reacties.

 

Een enkele omwonende vond de inrit aan de Fatimastraat niet veilig. Ten aanzien van openbaar groen zou een omwonende graag een speelvoorziening willen hebben binnen de groenbesteming. Er zijn vragen gesteld over erfafscheidingen. Bewoners aan de Prins Hendrikstraat vertelden dat hun woningen gevoelig zijn voor trillingen en verzochten dat hier tijdens de bouw rekening mee zal worden gehouden. Er zijn meerdere verzoeken gekomen over afstanden, doorsneden, bouwhoogten en een bezonningstudie.

 

Ontwikkelaar heeft de vragen van de omwonenden ingedeeld in modules (brandgang, groenvoorziening, profieldoorsnede, verkeer en zon/schaduw) en deze afzonderlijk naar de mensen gestuurd die op de informatieavond het vragenformulier hadden ingevuld (zie bijlage 12).

 

Een belangrijk issue voor een aantal personen was de brandgang aan de Prins Hendrikstraat er beslist moet komen. Op woensdag 22 mei 2019 heeft de ontwikkelaar een gesprek gehad met bewoners van de Prins Hendrikstraat inzake de brandgang. In overleg is besloten dat een strook grond aan de bewoners van de Prins Hendrikstraat zal worden verkocht ter realisatie van de brandgang. Een verslag van dat overleg is toegevoegd aan bijlage 12.

 

8.2.2 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

 

De provincie Noord-Brabant heeft per brief van 26 juni 2019 aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

 

De veiligheidsregio heeft 17 juni 2019 een veiligheidsadvies afgegeven. De regio gaat akkoord met de paragraaf externe veiligheid. Aanvullingen zijn toegevoegd aan de betreffende paragraaf.

 

Het waterschap heeft 24 juni 2019 een wateradvies gegeven. De oppervlakte van de hoeveelheid verharding na planontwikkeling is bepaald op 2.400 m2. Dit heeft geleid tot marginale wijzigingen in de waterparagraaf. De uitwerking van de infiltratievoorziening vindt het waterschap voldoende, deze ligt op maaiveldniveau en is voldoende ruim.

 

8.2.3 Zienswijzen

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter visie gelegen van 21 juli tot en met 31 augustus waarin een ieder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Gedurende deze termijn is één zienswijzen ingediend. Deze zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Voorgesteld wordt het bestemminsplan ongewijzigd vast te stellen.

 

Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.