Gemeente Breda

Planteksten

Op deze pagina vindt u de planteksten behorende bij het plan Buitengebied Zuid 2013, wijzigingsplan Rithsestraat 172.

Toelichting


 

Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1 Aanleiding en doel

1.1 Inleiding

1.2 Begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

HOOFDSTUK 2 Doelstellingen van het bestemmingsplan

2.1 Huidige situatie

2.2 Toekomstige situatie

2.3 Regelgeving

HOOFDSTUK 3 Planbeschrijving

HOOFDSTUK 4 Milieuaspecten

4.1 Inleiding

4.2 Bodem

4.3 Water

4.4 Cultuurhistorische waarden

4.5 Archeologie

4.6 Flora en fauna

4.7 Wegverkeerslawaai

4.8 Bedrijven en milieuzonering

4.9 Externe veiligheid

4.10 Luchtkwaliteit

4.11 Kabels en leidingen

HOOFDSTUK 5 Procedure

 

 

DEEL 1 Aanleiding en doel

 

1.1 Inleiding

De familie Wildhagen, woonachtig aan de Rithsestraat 172 te Breda, wenst haar agrarische bedrijfsbestemming te wijzigen naar een woonbestemming. Zodoende kan recht worden gedaan aan het feitelijk gebruik ter plaatse van het perceel. Conform het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Zuid 2013”, als vastgesteld door de raad op 18 december 2014, rust er op het perceel van de familie de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ met bijbehorend agrarisch bouwvlak. De agrarische activiteiten in de vorm van een loonwerkbedrijf zijn echter al in 2005 beëindigd. Er wordt nu enkel nog gewoond.

 

In het vigerend bestemmingsplan is het mogelijk om de bestemming te wijzigen. Conform artikel 4.6 onder b mag de bestemming ter plaatse van het agrarisch bouwvlak worden gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’, met dien verstande dat de woonbestemming de woning met bijgebouwen omvat. De rest van het agrarisch bouwvlak wordt verwijderd, zodanig dat enkel de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ over blijft. De overige voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid zijn:

  1. de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven niet worden beperkt;

  2. aan cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden en milieuhygiënische en water- en bodemhuishoudkundige aspecten geen onevenredige schade wordt toegebracht;

  3. de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft, en deze sloop afdoende is verzekerd, waarbij maximaal 500 m² mag worden gehandhaafd als bijgebouw, alsmede overtollige verharding wordt verwijderd;

  4. het aantal woningen niet mag toenemen tenzij in de planregels voor de bestemming 'Wonen' anders is bepaald.

  1. Het college van B&W heeft bij besluit van 18 november 2015 aangegeven in te kunnen stemmen met het voornemen de bestemming ter plaatse van het perceel Rithsestraat 172 te wijzigen naar een woonbestemming door middel van een wijzigingsprocedure ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening. Hiervoor is een wijzigingsplan benodigd. Het wijzigingsplan dient te voldoen aan deze gestelde voorwaarden en de toetsing hier aan zal terug moeten komen in de toelichting van het wijzigingsplan. Daarnaast dient in het licht van het wettelijk systeem van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in het wijzigingsplan ook getoetst te worden aan het vigerende beleid van het Rijk, de provincie en het waterschap.

 

1.2 Begrenzing plangebied

Voorliggend plangebied is gesitueerd aan de Rithsestraat, ten zuidwesten van de stad Breda. In de directe omgeving van het plangebied zijn een agrarisch bedrijf met bijbehorende gronden en diverse woningen gesitueerd.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Van kracht is het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013” vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2014, gewijzigd bij besluiten van 15 november 2015 en 3 maart 2016. Tegen het vastgestelde bestemmingsplan lopen nog wel beroepen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State maar deze zijn niet specifiek gericht tegen deze locatie of de bestemming waar naar omgezet gaat worden.

DEEL 2 Doelstellingen van het bestemmingsplan

 

2.1 Huidige situatie

Op de locatie Rithsestraat 172 is thans een bedrijfswoning aanwezig met een aantal bijgebouwen (voormalige bedrijfsgebouwen). De locatie heeft in het bestemmingsplan nog een agrarische bestemming. De woning en de gronden zijn niet meer voor agrarische doeleinden in gebruik.

 

2.2 Toekomstige situatie

In de bedrijfswoning zal de huidige eigenaar zijn woonverblijf houden en een deel van de bijgebouwen (maximaal 500 m2) zal als bijgebouw gebruikt gaan worden voor de woonbestemming. Om dit juridisch ook mogelijk te maken zal via dit wijzigingsplan de agrarische bestemming moeten worden omgezet naar een woonbestemming.

 

2.3 Regelgeving

 

2.3.1 Inleiding

Van kracht is het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid 2013'

 

De gronden en opstallen aan de Rithsestraat 172 te Breda zijn in het bestemmingsplan Buitengebied Zuid 2013 opgenomen binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie ’en ‘Waarde – Cultuurhistorie’ en met de aanduidingen ‘bouwvlak’, ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ en 'vrijwaringszone radar’. Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 4.6 onder b van dit bestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen, mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda, ten behoeve van het deels wijzigen van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met de aanduiding 'bouwvlak' in de bestemming 'Wonen' onder de volgende voorwaarden:

  1. de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven niet worden beperkt;

  2. aan cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden en milieuhygiënische en water- en bodemhuishoudkundige aspecten geen onevenredige schade wordt toegebracht;

  3. de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, niet zijnde cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, voor het merendeel worden gesloopt, en deze sloop afdoende is verzekerd, waarbij maximaal 500 m² mag worden gehandhaafd als bijgebouw alsmede overtollige verharding wordt verwijderd.

 

 

2.3.2 Onderzoek

Het verzoek is getoetst aan de voorwaarden uit het geldende bestemmingsplan en hierbij is het

volgende geconcludeerd.

 

In het kader van de Landschapsinvesteringsregeling Breda valt deze ruimtelijke ontwikkeling in categorie 2 en dient een landschappelijke inpassing te worden gerealiseerd. Hierover zijn afspraken gemaakt en is een verplichte landschapsinvestering afgesproken op basis van de Landschapsinvesteringsregeling Breda. Het inrichtingsplan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Teneinde de aanleg te garanderen is dit vastgelegd in een overeenkomst met de initiatiefnemer. Teneinde het behoud te garanderen is de locatie, waar deze landschappelijke inpassing moet worden gerealiseerd en overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 , lid 4.6 onder f, bestemd tot 'Natuur'.

 

Ad 1. In de omgeving van de onderhavige woning is wel een agrarisch bedrijf aanwezig. Aan de hand van een namens de verzoekers opgesteld rapport is gebleken dat de omzetting van de bestemming geen belemmeringen zal opleveren voor dat bedrijf. Het betreffende rapport is als bijlage aan de toelichting toegevoegd.

 

Ad 2. De omzetting van de bestemming zal geen nadelige gevolgen hebben voor die waarden maar door het feit dat ter plaatse geen agrarische activiteiten meer mogen plaatsvinden en in het kader van de Landschapsinvesteringsregeling Breda een landschappelijke inpassing zal worden toegevoegd zal de waarde van de omgeving alleen maar toe- in plaats van afnemen.

 

Ad 3. De bijbehorende bijgebouwen zijn groter dan op grond van de Landschapsinvesteringsregeling Breda behouden mag blijven (max 500 m2). De wijziging van de bestemming zal dan ook gepaard gaan met sloop van een gedeelte van deze bijgebouwen. De sloopverplichting is, met een dwangsomregeling, vastgelegd in een met de verzoekers afgesloten anterieure overeenkomst.

 

2.3.3 Conclusie

Nu het verzoek ook voldoet aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan Buitengebied Zuid 2013 tot wijziging van de bestemming kan hieraan medewerking worden gegeven.

 

DEEL 3 Planbeschrijving

Voorliggend wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, toelichting en planregels.

De verbeelding volstaat met het aangeven van de nieuwe bestemming ‘Wonen’ met een bestemmingsvlak en bouwvlak. De planregels betreffen de regels welke behoren bij de in het plangebied opgenomen bestemmingen en de op alle bestemmingen betrekking hebbende artikelen uit het bestemmingsplan Buitengebied Zuid 2013.

 

DEEL 4 Milieuaspecten

 

4.1 Inleiding

Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: ‘bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen’. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Tevens moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r..

 

Ten behoeve van de bestemmingswijziging heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Met de bestemmingswijziging wordt aangesloten op de al gerealiseerde ruimtelijke en functionele structuur, zoals de ontsluitingsstructuur, groenstructuur en de waterhuishouding.

 

Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als (separate) bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan.

 

Achtereenvolgens worden behandeld:

  1. bodem;

  2. waterhuishouding;

  3. cultuurhistorie;

  4. archeologie;

  5. flora en fauna;

  6. akoestiek;

  7. bedrijven en milieuhinder;

  8. externe veiligheid;

  9. luchtkwaliteit;

  10. kabels en leidingen.

 

 

4.2 Bodem

Toetsingskader

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering.

 

Beoordeling

De strekking van het planvoornemen is enkel om ter plaatse van het plangebied de bestemming te wijzigen van ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ naar ‘Wonen’, zodat het feitelijk gebruik van de gronden en de woning aansluit bij de planologisch-juridische regeling. Er is sprake van de sloop van overtollige bebouwing en behoud van bestaande bebouwing. Hiervoor dienen geen ingrepen plaats te vinden in de bodem.

 

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

 

4.3 Water

Toetsingskader

In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6 lid 1, sub b Bro.

 

Het beleid is er op gericht om het watersysteem op orde te brengen en vervolgens op orde te houden. Dit betekent dat er zo min mogelijk wateroverlast ontstaat en dat de waterkwaliteit voldoende is. Het beleid van het waterschap Brabantse Delta is gericht op het voorkomen van rechtstreekse lozingen op het oppervlaktewater. De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Ten aanzien van de waterkwaliteit is de voorkeursvolgorde: 'schoonhouden, scheiden en zuiveren'. Voor nieuwbouwinitiatieven is het uitgangspunt dat deze ‘waterneutraal’ dienen te zijn. Dit betekent dat de ontwikkelingen niet mogen leiden tot verslechteringen aan het watersysteem. Voorkomen moet worden dat het water versneld afvoert ten gevolge van een toename van het verhard oppervlak. Schone oppervlakken worden indien mogelijk niet op een gemengd rioleringssysteem aangesloten. De voorkeur gaat uit naar een aansluiting van het hemelwater op een afzonderlijk hemelwaterstelsel. Voor daken, goten en overige regenwatervoorzieningen en wegverhardingen dienen bij voorkeur niet-uitlogende bouwmaterialen te worden gebruikt. Om de waterkwaliteit te verbeteren, wordt ook in bestaande situaties waar mogelijk schoon verhard oppervlak afgekoppeld van het rioolstelsel. Deze oppervlakken krijgen een eigen afvoervoorziening, waardoor het gemengd stelsel minder wordt belast. Hiermee wordt het aantal overstortgebeurtenissen met vervuild water vanuit het gemengde stelsel verminderd.

 

Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta

Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het provinciale Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP). Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening en hanteert een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet. Het plan concentreert zich op de nieuwe uitdagingen in de toekomst, de uitgangspunten daarbij zijn:

  1. balans tussen efficiënt beschermen en duurzaam benutten van de fysieke leefomgeving;

  2. uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen; streng voor achterblijvers;

  3. opgaven integraal en gebiedsgericht oplossen;

  4. een dynamische en uitnodigende uitvoeringsagenda, samen met de partners uit te voeren.

 

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en – kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook op het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2012 ‘Grenzeloos verbindend’, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

 

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten:

  1. het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren;

  2. het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte;

  3. inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen;

  4. helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem;

  5. het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen);

  6. afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater;

  7. een duurzame energiewinning.

 

Uniformering Keuren

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.

 

In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:

  1. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;

  2. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 is, of;

  3. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak.

  4. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06.

 

Beoordeling

Voorliggend plan wijzigt de bestemming ter plaatse van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Bovendien wordt op de locatie overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt. De sanering van deze bebouwing zorgt ervoor dat hemelwater ter plaatse weer kan infiltreren in de bodem. Bovendien vinden er op de locatie, behoudens de sloop van bedrijfsbebouwing, geen bodemingrepen plaats. Middels de bestemmingswijziging wordt bovendien voorkomen dat er in de toekomst nieuwe bedrijfsbebouwing ten behoeve van het agrarisch bedrijf op de locatie wordt toegevoegd. De feitelijke en planologische situatie verbeteren in het kader van het waterhuishoudkundig systeem.

 

Conclusie

Het aspect water is geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen.

 

 

 

4.4 Cultuurhistorische waarden

Toetsingskader

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 2). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed.

In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

 

Beleid provincie

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

 

 [image]

Beoordeling

Voorliggend plangebied is gesitueerd binnen een cultuurhistorisch landschap zoals aangeduid op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Voorliggend plangebied is gelegen binnen de regio ‘Baronie’, dat een provinciaal cultuurhistorisch belang kent. Dit gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. Opmerkelijk zijn de oude bosgebieden Mastbos, Liesbos en Ulvenhoutsche Bos, die tot de oudste van Nederland behoren. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De verschillen tussen de oude en jonge ontginningen zijn door landinrichting in de afgelopen decennia grotendeels verloren gegaan. Het agrarisch gebied van de Baronie heeft een meer open karakter gekregen doordat veel perceelrandbegroeiing is verdwenen.

 

Uit een vergelijking tussen de historische kaart van 1925 en de huidige situatie, zoals valt te zien in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen in bijlage 1, valt op te merken dat het afwisselende cultuurlandschap grotendeels intact is gebleven. Op de hogere en droge gronden zijn nog kleine bossen te vinden, in de overgangszone richting het beekdal vindt men nog open akkers met randbeplanting en (vochtige) weilanden. De beplantingsvorm is geënt op de zijdelingse perceelsgrens en verspreid over het achtererf is diverse solitaire beplanting aanwezig.

 

Middels het voorgestelde plan voor landschappelijke inpassing van het perceel, zoals opgenomen als bijlage 1, wordt aangesloten bij de landschappelijke structuren van de directe omgeving van het plangebied om de landschappelijke kwaliteit ter plaatse te versterken. Het voorgestelde landschappelijk inpassingsplan sluit aan bij de cultuurhistorische waarde van de regio ‘Baronie’. Het draagt bovendien bij aan de ontwikkelingsstrategie van de provincie ten behoeve van de versterking van de samenhang van de dragende structuren van deze regio.

 

 

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

 

4.5 Archeologie

Toetsingskader

In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

 

Beoordeling

In het vigerende bestemmingsplan is geen dubbelbestemming archeologie gelegen op het plangebied. Bovendien betreft onderhavig planvoornemen enkel het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ naar een woonbestemming, ten behoeve van het juridisch vastleggen van het feitelijk gebruik ter plaatse. Zoals eerder al toegelicht is er echter geen sprake van nieuwbouw of bodemingrepen. Het initiatief heeft derhalve geen effect op eventueel aanwezige archeologische waarden.

 

Conclusie

Het aspect ‘archeologie’ is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

 

 

4.6 Flora en fauna

 

Toetsingskader

De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en omvat de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied. Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedsspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.

 

Op 1 april 2002 is daarnaast de Flora- en faunawet in werking getreden. De soortbescherming is opgenomen in de Flora- en faunawet. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. De wet regelt de bescherming van wilde dier- en plantsoorten. Ook omvat de wet de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000 gebieden.

 

Volgens de Flora- en faunawet mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting of vast rust- of verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen op geen enkele wijze van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. Ook legt de wet de zorgplicht van de burger voor de flora en fauna vast. Er zijn vrijstellingsbepalingen, onder andere in verband met de jacht en de schadebestrijding. Afwijkingen van de verbodsbepalingen zijn mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Sinds 23 februari 2005 is het Vrijstellingsbesluit van kracht. Met dit besluit is geregeld dat voor algemeen voorkomende soorten een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ingrepen en geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht.

 

Conform de Flora- en faunawet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit de kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet.

 

Beoordeling

Aangezien diverse bijgebouwen gesloopt worden en er de kans bestaat dat er beschermde soorten voorkomen in en rondom de te slopen gebouwen. De Roever Omgevingsadvies heeft in februari 2016 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 2 bij dit wijzigingsplan. In de huidige situatie worden de bedrijfsgebouwen niet meer gebruikt.

 

In de nabijheid van het plangebied liggen percelen die deel uitmaken van het Natuurnetwerk (Nederlands Natuurnetwerk en Brabants Natuurnetwerk, voorheen genaamd Ecologische Hoofdstructuur). Deze percelen zijn bestemd om natuur- en landschapswaarden in stand te houden, en grotere natuurgebieden met elkaar in verbinding te stellen. De mogelijke effecten op het Natuurnetwerk zijn in beeld gebracht in het onderzoeksrapport. Op 80 meter afstand en op 430 meter afstand bevinden zich beschermde gebieden. De afstand van meer dan 80 meter maakt dat van slechts enkele specifieke vormen van verstoring sprake kan zijn, waaronder verstoring door licht en geluid. Voor deze vormen van verstoring zijn de betreffende natuurbeheertypen weinig gevoelig. Bij voorbaat kan vastgesteld worden dat de sloop van de bedrijfsgebouwen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk niet zal aantasten.

 

Mogelijke nestplaatsen van vogels bevinden zich aangrenzend aan het plangebied. Het wordt daarom aangereden om te werken buiten het broedseizoen van de meeste vogels, of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord.

 

Nader onderzoek of een ontheffing Flora- en faunawet is niet noodzakelijk gebleken voor de soortgroepen flora, vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelden. In de nabijheid waargenomen matig en strikt beschermde soorten, zijn bij het terreinbezoek niet waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied is wel geschikt voor verschillende strikt beschermde soorten vleermuizen, en huismus en gierzwaluw.

 

Nader onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw is dan ook noodzakelijk. Dit nader onderzoek zal plaatsvinden vanaf mei 2016.

 

Conclusie

Het aspect ‘flora en fauna’ is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

 

 

4.7 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);

de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;

functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

 

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

 

 

 

 

Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

 

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

 

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

 

Beoordeling

Voorliggend planvoornemen betreft het wijzigen van de bestemming van het plangebied van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen opgericht, zoals omschreven in de Wet geluidhinder. Middels het initiatief zal het aantal verkeersbewegingen zeker niet toenemen. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied is in de nieuwe situatie beperkt tot het normale verkeer van een gezin, zoals in de bestaande situatie ook het geval is. Nader onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk.

 

Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

 

 

4.8 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).

 

Beoordeling

De Roever Omgevingsadvies heeft begin 2016 een onderzoek milieuzonering uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport is bijgevoegd in bijlage 3 van deze toelichting. Dit onderzoek maakt allereerst inzichtelijk waar de milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied gesitueerd zijn. Uitgaande van deze milieubelastende functies is bepaald of de milieugevoelige functie toelaatbaar kan zijn.

 

Bij het bepalen van de richtafstanden is uitgegaan van de worst-case aanname dat het gebied een rustig buitengebied betreft. De woning aan de Rithsestraat 172 is een bestaand gevoelig object voor elk van de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Dit houdt in dat de inrichting aan de Rithsestraat 174 niet belemmerend wordt door de voorgenomen bestemmingswijziging van de woning aan de Rithsestraat 172.

 

Om het woon- en verblijfsklimaat te beoordelen zijn de milieuaspecten waarvan de richtastand wordt overschreden nader bekeken middels een dossieronderzoek. Uit deze beoordeling blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse. Gelet op de functies in de omgeving is ter plaatse van de woning aan de Rithsestraat 172 sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ten aanzien van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De omliggende bedrijven of functies worden niet in hun belangen geschaad door de voorgestelde planontwikkeling. De gewenste planontwikkeling is daarmee inpasbaar in de omgeving.

 

Conclusie

Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

 

4.9 Externe veiligheid

 

4.9.1. Inrichtingen en externe veiligheid

 

Toetsingskader

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

 

 

 [image]

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (Rrgs) als ook de risicokaart geraadpleegd. Op meer dan 200 meter afstand van voorliggend plangebied is een inrichting aanwezig die aangegeven wordt op de risicokaart. Het betreft de Rithsestraat 146. Het rapport bijbehorend aan de inrichting toont dat het om een propaaninstallatie gaat, betreffende een propaantank van 5000 liter. Op de risicokaart ontbreekt de PR 10-6 contour, aangezien het een geringe tankomvang betreft, waarbij de veiligheidsafstand vanuit het activiteitenbesluit, betreffende 10 meter, voldoet. Het plangebied, dat gelegen is op een afstand van meer dan 200 meter, is dan ook niet binnen een kwetsbare afstand gesitueerd betreffende de inrichting aan de Rithsestraat 146.

Conclusie

Het aspect inrichtingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

 

 

4.9.2. Transport en externe veiligheid

 

Toetsingskader

Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage 2, 3 en 4 van het Bevt zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

 

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. De rijks-, vaar- en spoorwegen zijn beoordeeld. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen.

 

Conclusie

Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

 

4.9.3 Buisleidingen

Toetsingskader

Wanneer sprake is van relevante buisleidingen in een gebied, dient de gemeente een ruimtelijke reservering op te nemen in het bestemmingsplan voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval bekeken worden. De ruimtelijke reserveringen ten behoeve van de buisleidingen dienen binnen 5 jaar opgenomen te worden in het bestemmingsplan. De voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt minimaal 5 meter aan beide zijden van de leiding.

 

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante buisleidingen gelegen.

 

Conclusie

Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid.

 

4.10 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.

 

De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

 

Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 μg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 μg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 μg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 μg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.

 

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

 

Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:

  1. er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

  2. een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;

  3. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;

  4. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

 

Beoordeling

Onderhavige ontwikkeling betreft de wijziging van de bestemming van het perceel. De bestaande situatie en het gebruik zal door voorliggende ontwikkeling niet veranderen. De agrarische bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming, welke gelegen is aan een bestaande ontsluitingsweg. Derhalve kan geconcludeerd worden dat deze kleinschalige ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht. Gezien deze conclusie is verder onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk.

 

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavige bestemmingswijziging.

 

4.11 Kabels en leidingen

 

Toetsingskader

De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer:

  1. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;

  2. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;

  3. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;

  4. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;

  5. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

 

Beoordeling

Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

 

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

 

 

 

 

 

 

DEEL 5 Procedure

Het onderhavige plan is een plan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Ten aanzien van de procedure is het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht van kracht. Een en ander betekent dat het ontwerpplan gedurende 6 weken ter inzage zal worden gelegd tijdens welke termijn door belanghebbenden zienswijzen tegen dit wijzigingsplan kunnen worden ingediend waarna het plan kan worden vastgesteld door het college. Tegen het besluit van het college staat rechtstreeks beroep open bij de Afdseling bestuursrechtspraak van de Raad van State.